Hemelreiziger

De raket schiet in volle vaart naar de maan. Buigt af, draait er omheen. De astronaut ziet wat geen mens ooit voor hem zag: de achterkant. Het is er donker. De maan draait om de aarde, geeft zelf geen licht, maar weerkaatst de zonneschijn.
Overweldigd slaat de man zijn ogen neer en vouwt zijn handen samen als in een gebed. ‘Ik kijk naar de keerzijde van het bestaan. Mijn bestaan,’ fluistert hij tegen niemand in het bijzonder terwijl hij naar ontelbare sterren, kometen, deeltjes én lege ruimtes tuurt.
Na een paar tellen opent hij zijn ogen weer en gluurt voorbij de ommezijde van de grote koude rotsbol naar zijn thuis. De aarde.
Op het, door haar miljoenen jaren bestaan getekend, gevaarte ontdekt hij grillige grijze obstakels. Bergen, denkt hij, met, – maar dat kan hij vanaf deze afstand niet goed inschatten – groen beboste bergruggen. Zwarte punten wijzen op kraters die ooit oranjerood naar rotte eieren stinkend lava uitspuugden. Grote uit verband getrokken ronde en ovalen vlekken staan voor oceanen waarvan hij weet dat ze blauw, of beter gezegd zeegroen kleuren.  Alles was altijd. Ooit.

Lees verder

Corona, de Stones en het einde

Ergens in september vorig jaar juichte ik over mijn laatste zin.   Mooi niet dat ut um was. Sloeg nergens op die zin. Maar toen hadden we nog geen Corona. Nu wel, inclusief de quarantaine, de saaiheid, de stilte, de bezinning en het  ghosttown gebeuren waar de Rolling Stones deze week een song over uitbrachten.

Zesenzeventig is hij al Mick Jagger en still going strong, hoezo ben ik beducht voor mijn wat late debuut.

Goed, waar had ik het over? Laatste zin en Corona. Wat hebben die twee in godsnaam gemeen anders dan dat het virus heel erg hard zijn  best doet het laatste woord te hebben.
Dood jullie! Of in ieder geval doodziek, lijkt  de strijdkreet van het gemene monster.  En verder wil de kleine onzichtbare ploert – ik ga er voor het gemak vanuit dat het ding mannelijk is. Kroon in het  Spaans is in ieder geval el –  IC’s onderuit halen, zorgwerkers overbelasten, kleine zelfstandigen opslorpen,  nationale luchtvaart aan de grond zetten,  horeca om zeep helpen en de rest in vertwijfeling brengen.

Volgens sommigen is dit een straf van God. Bidden schijnt ook niet meer te helpen. Nou dan niet. Dus probeer ik maar de stekelige roller coaster voor te blijven en ga ik stoer naar buiten met mijn lange haar en zonnebril in de hoop dat het ding me niet herkent. Mijn hond aan de anderhalve meter lijn houdt wandelaars op gepaste afstand zodat zij mij niet  besmetten en verder was ik mijn handen  tot de schilfers er af vliegen, daar zal het niet aan liggen.
Niet dat ik bang ben,  voor de dooie dood nog niet. Ik heb een goeie conditie, ben al jaren niet ouder dan negenendertig en heb tot nu toe ieder zware griep, darminfectie of ander eng ding met glans doorstaan. Het enige dat ik vraag is … laat Hein en Corona alstublieft nog even wachten want HEEEE mijn Uien in de Koelkast moeten nog in de etalage.

Het duurt heus niet zo lang meer.  ‘De Corona’ en dat is echt een voordeel,  heeft mij  wekenlang, dag in dag uit, achter mijn scherm laten zitten tikken aan mijn boek. Tikken en schrappen dan wel te verstaan hè dat spreekt vanzelf.
Vorige week tikte ik de laatste  vijf letters (e i n d e). Daarna mochten mijn Schrijftafelvrienden los en verwerkte ik hun commentaar en opmerkingen. Viel reuze mee trouwens. Van mezelf moest ik ook alle in het boek voorkomende emoties niet enkel benoemen maar vooral laten zien, voelen, proeven, meemaken.
En nu, nu is het wachten op het commentaar van twee andere proeflezers. De dertigste gaat het manuscript naar ‘Mijn Linda’  en in afwachting van haar redactioneel eindoordeel,luister ik naar Ghost Town van de Stones, bijt ik mijn nagels helemaal kaal en elimineer ik ook nog eens stopwoordjes als: nog, wel, of, weer, alle, meer, graag, niet steeds, als, blijven, lachen. Dat is niet gering maar

 

 ‘het houdt me van de straat’