Hooien

hooien

©Foto: Boerderij/Misset

(Fragment uit Klara’s moeder)
Ieder jaar in augustus haalden we met z’n twaalven, de drie oudsten woonden niet meer thuis, het hooi van het land. ’s Morgens heel vroeg, het was net licht, wekte moeder ons. Het zal vijf uur of half zes geweest zijn. Met een lachend gezicht joeg ze ons naar de pomp waar we ons wasten. Veel stelde dat niet voor, we haalden een natte lap over ons gezicht, haar en handen en renden weer naar binnen waar we ieder een beker melk en een stuk brood met spek van de keukentafel mochten pakken. Ondertussen smeerde moeder dikke boterhammen met boter, belegde ze met kaas of spek en sneed ze doormidden. Ze knoopte de stapel brood in een schone theedoek, schonk koffie met suiker in een kan, limonade en water in twee andere kannen. Het brood, drinken en twaalf appels werden opgeborgen in een grote rieten mand en daarna verzamelden we ons op het erf. Daar lagen al een berg hooivorken, harken en een stapel grote tenen manden voor het hooi klaar. Mijn oudste broer haalde ons paard, spande hem voor de grote platte wagen en hielp ons erop. Ik klauterde zelf op de kar, pakte samen met mijn zus de volle, zware mand proviand aan en schoof hem in het midden.
Vader was in een jolige bui, hij tilde moeder op de wagen, gaf haar een klap voor haar kont, sprong op zijn fiets en weg reden we.

Zo vroeg in de ochtend was het nog best fris. We maalden er niet om, sloegen een vest om of een omslagdoek en kropen dicht tegen elkaar aan. Onderweg keken we opgewonden om ons heen en maakten gebbetjes met elkaar. Op het veld aangeland, sprongen we van de wagen en renden van hot naar her. Niemand die er iets van zei. Ondertussen spande mijn broer het paard uit, bond hem aan een boom in de schaduw en zette een grote bak water voor hem klaar. Moeder schoof de mand met eten en drinken uit de zon onder de wagen zodat de hitte het spek niet zou bederven en het water en de limonade lekker koel zouden blijven.
De oudsten pakten een hooivork. We stelden ons naast elkaar op in een rij en luisterden naar vaders instructies. Hij wees welk stuk land we die dag binnen moesten zien te harken en deed voor, meer voor de show want we wisten het al van voorgaande jaren, hoe je het gemaaide en gedroogde gras op de vork schoof. De dagen ervoor hadden hij en mijn grote broers het gras al gemaaid. Na een paar dagen, als het door de felle zon optimaal gedroogd was, harkten ze het tot de rilletjes hooi die nu geduldig op ons lagen te wachten.
Na vaders uitleg duwden de jongens de wagen het veld op en zwiepten wij de balen hooi erop. Zodra een stuk land klaar was, duwden we de wagen naar voren en begonnen we van voor af aan.
De kleintjes hoefden niet te werken. Ze speelden om ons heen. Vader wees zijn hooivork dreigend in hun richting en verbood ze te ver bij de wagen vandaan te lopen. Hooien was zwaar werk. Al voor acht uur brandde de zon in je nek en op je hoofd. Het gemaaide gras kriebelde tussen je kleren en met de minuut deden je schouders en benen meer pijn.

Geef een reactie