
Foto: NASA
De raket schiet in volle vaart naar de maan. Buigt af, draait er omheen. De astronaut ziet wat geen mens ooit voor hem zag: de achterkant. Het is er donker. De maan draait om de aarde, geeft zelf geen licht, maar weerkaatst de zonneschijn.
Overweldigd slaat de man zijn ogen neer en vouwt zijn handen samen als in een gebed. ‘Ik kijk naar de keerzijde van het bestaan. Mijn bestaan,’ fluistert hij tegen niemand in het bijzonder terwijl hij naar ontelbare sterren, kometen, deeltjes én lege ruimtes tuurt.
Na een paar tellen opent hij zijn ogen weer en tuurt, voorbij de ommezijde van de grote koude rotsbol, naar zijn thuis. De aarde.
Op het, door haar miljoenen jaren bestaan getekend, gevaarte ontdekt hij grillige grijze obstakels. Bergen, denkt hij, met, – maar dat kan hij vanaf deze afstand niet goed inschatten – groen beboste bergruggen. Zwarte punten wijzen op kraters die ooit oranjerood naar rotte eieren stinkend lava uitspuugden. Grote uit verband getrokken ronde vlekken staan voor oceanen waarvan hij weet dat ze blauw, of beter gezegd zeegroen kleuren. Alles was altijd. Ooit.
De aarde lijkt van deze afstand niet groter dan de globe op een bureau.
De ruimtevaarder hapt naar adem, tilt zijn handen op en laat een langgerekte zucht los. Hij weet dat hij naar vier miljard jaar geschiedenis staart. Naar eeuwenoude ervaringen en herinneringen van de mensheid.
Van het bestaan zelf.
Dan is het dat hij beseft: de natuur en haar meedogenloze, verwoestende kracht overtreft de mensheid en hun goden in dood en verderf zaaierij.
De zee geeft, de zee neemt.
Bergen laten hun rotsblokken vallen.
Vulkanen verpulveren het landschap.
De zon verwarmt bolle waterdruppels tot vergrootglazen die alles wat groeit en bloeit verbranden.
Tot nu toe gespaarde bossen vormen doolhoven voor wie zich te ver in hun groene donkerte waagt.
De aarde vermorzelt wat haar niet zint. Wie haar tegenwerkt. Wie haar wil vervormen. Wie haar verlaat om na te jagen wat niet te vangen is.
En de hemelreiziger begrijpt: dít bedoelde Lucretius met de natuur der dingen.
Dan drupt uit zijn rechteroog een traan op het dashboard. Het vormt een minuscuul klein plasje dat, ook hier, naar het laagste gedeelte sijpelt en geniepig onder de knop van een stuurraket kruipt. Een onvolkomenheid helaas door alle technici over het hoofd gezien.
Hij gaat verzitten, wil de aarde vanuit een andere hoek bekijken, maar wordt terug geduwd. Een donderend geraas. De machine buigt af naar links, keert en vliegt weg van de achterkant van de maan. Het zwart in.
De aardeling roept: ‘God, waar bent u? Help mij!’
Hij speurt vertwijfelt de hemel af; miljoenen sterren, maar geen goden te bekennen. Dan jaagt de snelheid van de machine zijn bloeddruk op, beneemt hem zijn adem en zicht. Zijn hart dendert op hol, zijn hersenen krioelen door zijn hoofd en laten nog slechts één laatste gedachte toe: ‘Onze zielen zijn opgebouwd uit ontelbare deeltjes met lege ruimtes ertussen. Ik ben louter sterrenstof.’