Slenterend door de smalle steile straatjes van Mardin, zie ik links en rechts in de dikke zandstenen muren, grote houten met koperbeslag bewerkte deuren. Op de meeste deuren prijken twee deurkloppers: een leeuwenkop en een hand. Nieuwsgierig naar de betekenis, vraag ik het de hoteleigenaar.
‘De deurklopper in de vorm van een hand wordt Hand van Fatima, of Hamsa genoemd,’ vertelt hij, ‘vernoemd naar de dochter van Mohammed. *
Meestal is de Hamsa symmetrisch vorm gegeven en wijzen de duim en pink naar buiten. De hand wordt ook als amulet gedragen: hij beschermt de eigenaar tegen het boze oog. De Leeuwenkopkloppers zijn ouder en stammen uit de pre-moslimtijd. Vaak door Koerden en Armeniërs op hun buitendeuren aangebracht als symbool van kracht, moed en bescherming.’
Weer wat geleerd, gebruik ik de uitleg in dit fragment uit Malik, de zoon van niemand
… De Turken, de nieuwe rijken die de herenhuizen opkochten, lieten pas veel later de maansikkels (hilal) en sterren (yildiz) boven de majestueuze toegangsdeur beitelen. Zij hingen een hand van Fatima aan de deur, naast de Koerdische of Armeense leeuwenkoppen, eeuwenoude symbolen van kracht, moed en koninklijkheid die er al veel langer hingen. Van jong af aan leerden Maik en zijn broer uitsluitend de leeuwenkop als deurklopper te gebruiken. Bij een zware bons konden de vrouwen in het huis zich bijtijds uit de voeten maken. De veel lichtere plof van de hand van Fatima, bracht rust en gezelligheid.
* Christenen en Joden noemen de handdeurkloppers Hand van Maria of hand van Miriam.
In het hart van Zuid-Oost Anatolië herinneren de bergen zich wat mensen vergeten. Door de dalen klinken hun verstomde stemmen. In dit oude land kusten Hittieten de hemel, baden Assyriërs tot hun God, schudden Arameeërs het woestijnzand van zich af voor ze op hun knieën vielen, trokken Arabieren hun kromzwaarden om Allah te beschermen en filosofeerden de Grieken over hun bestaan.
Els Verhoeven