
Slenterend door de smalle steile straatjes van Mardin, zie ik links en rechts in de dikke zandstenen muren, grote houten met koperbeslag bewerkte deuren. Op de meeste deuren prijken twee deurkloppers: een leeuwenkop en een hand. Nieuwsgierig naar de betekenis, vraag ik het de hoteleigenaar.
‘De deurklopper in de vorm van een hand wordt Hand van Fatima, of Hamsa genoemd,’ vertelt hij, ‘vernoemd naar de dochter van Mohammed.
… De Turken, de nieuwe rijken die de herenhuizen opkochten, lieten pas veel later de maansikkels (hilal) en sterren (yildiz) boven de majestueuze toegangsdeur beitelen. Zij hingen de hand van Fatima, naast de Koerdische of Armeense leeuwenkoppen, eeuwenoude symbolen van kracht, moed en koninklijkheid.
Van jong af aan leerden Maik en zijn broer uitsluitend de leeuwenkop als deurklopper te gebruiken.
Bij de zware bons maakte de vrouwen in het huis zich uit de voeten maken. De veel lichtere plof van de hand van Fatima beloofde vrouwenbezoek: rust en gezelligheid.