Mama

Nadat mijn moeder was gestorven, trokken mijn broer en ik haar haar roodgeblokte jurk aan en legden haar voorzichtig in de kist. Op haar kussen zag ik de schaduwafdruk van haar hoofd en een enkele haar: de essentie van wie zij was geweest. Heel langzaam plooide het kussen zich uit zijn kreukels, bolde weer op en hernam zijn eigen vorm. Ik kon de onnoembare behoefte om mijn eigen hoofd op dat kussen te leggen niet weerstaan. Ik wilde niet dat het enige wat nu nog van haar over was verdween.

Ik wilde haar voor altijd laten bestaan.

Daslook

De scherpe zoete geur van bloeiend wit daslook maakt me blij.
Het doet me denken aan de tent die ik vroeger met mijn buurmeisje bouwde. Van de lange stelen van een hark en een schoffel fabriceerden we het geraamte dat we schuin tegen de buitenvensterbank aanzette. Daaroverheen spanden we, zo strak mogelijk, een oud tafelkleed en knoopten het vernuftig, met wasknijpers, om de stelen.
De geur van daslook onder onze vakantiewoning gaf extra smaak ons avondmaal: een stukje vlees, gebakken aardappeltjes en sla voor mij, gekookte aardappelen in karnemelkspap voor mijn buurmeisje.

Verdriet

‘Wat zie je in de spiegel?’vroeg de therapeute.
‘Een vrouw, begin vijftig. Een vriendelijk gezicht met barstjes rond haar ogen, op haar wangen en bovenlip. Kort bruinblond haar met grijze strepen en een blauwe bril.’
‘Ik zie een mooie vrouw,’ antwoordde ze, ‘met vriendelijke bruine ogen die vuur kunnen schieten als het moet. En ik zie verdriet, gemis. Je bent na het overlijden van je kind gewoon weer als vroedvrouw gaan werken?’
‘…elke geboorte sneed door mijn ziel. Om weer zo’n hompig nieuw mensje vast te houden, beangstigend vond ik het, nu ik wist hoe breekbaar kinderen zijn.’