Dromen

Ik ga met ze naar bed, sta met ze op met mijn HoofdPersonen (HP). In mijn slapeloze uren lig ik te bedenken waarom HP1 in haar dooie eentje naar het Eilandhuis rijdt in plaats van gezellig samen met HP2.

Dat ik slecht slaap komt niet door hen of door hier (Leens) alhoewel de donkerte in het noorden zwarter is dan in de hoofdstad en bovendien veel vroeger weer gebroken wordt. ’s Morgens om een uur of vier al splijt de nacht en tot overmaat van ramp maar ook schoonheid lichten de goudgele tarwe- en korenvelden de nieuwe ochtend tot het scherpst toe uit. Toch verlang ik naar donkerte en wikkel daarom mijn omslagdoek drie maal om mijn hoofd, voor mijn ogen, opdat, hoop ik, de donkerte de slaap weer brengt.

Het lukt. De slaap komt maar wacht wie neemt ze mee? Zie ik daar HP1? Ze lijkt op… Ze ís, voor nu in deze droom, de moeder van T alleen veel jonger en groter dan dat ik haar kende. En anders. Ze komt op mij af, omarmt mij, houdt mij vast, vertelt opgewonden over haar aanvaring met een motoragent. ‘Ik kreeg twee bekeuringen, één omdat ik te hard reed en de ander omdat ik over de stoep reed, ook te hard.’

T reageert boos op HP1  van wie ze denkt dat ze haar moeder is. ‘Waarom rij je ook zo idioot hard? Onverantwoordelijk! Waar moest je dan zo snel naar toe?’

HP wijst naar mij:

‘Ik was onderweg naar Onderweg, naar haar hoofdstuk.’

Moordplek

Geweldige plek hier in Oosterhouw. Sinds vanmorgen vroeg werk ik in de tuin. Aan een gele tafel met laptop, koffie, water en Deet tegen de muggen. De zon verschuilt zich al anderhalve eeuw achter de treurbeuk, (of in ieder geval sinds hij mensen boven het hoofd is gegroeid) terwijl het rode bolletje op de thermometer gestaag werkt aan zijn opmars naar vijfendertig plus.

Uitstekende condities om:

  • de therapeutische sessie van Frits en Lina te finetunen,
  • Lina in haar eentje onderweg te laten gaan,
  • in het eilandhuis te laten gebeuren wat er gebeuren moet.

 

Ik zit hier dus goed, kijk regelrecht de (wat is het? vijftig, honderd, driehonderd meter?) diepe tuin in: terras, vijver zoals ze ook in het Alhambra hebben gegraven, overhangende treurbeuk, gras, varens, kunstig geknipte buxussen, twee Afghaan skunkplanten (wat? wiet ?), boomgaard, bank, merels op het gras en – nu wordt het spannend! – duiven op het koetshuis.

‘De beuk erin,’ koeren de duiven en ja hoor daar vliegt er een met omtrekkende beweging naar een jonge pikzwarte merel, klauwt hem vast, vliegt naar de vijver, dompelt hem onder.  Duif doopt merel? Nee, de kleine gaat nog een keer kopje onder en nog een keer en nog een keer.

Moedermerel krijst:  ‘de kleine kan nog niet zwemmen.’ Ze roept om haar man, de buurvrouw, haar moeder. Killerduif weet van geen ophouden,  vlucht met slap peutermereltje de treurbeuk in. Helemaal tot bovenaan. Ik zei het al: moordplek hier!

Smelten

Zit ik hier in de hangende tuinen van Leens, boven Groningen de stad, in de nu al druipende hitte, mijn cadeau uit te pakken. De aanloop hiernaartoe was een rampenplan. Nou ja, de trein ging nog wel met zomaar ineens aardig gezelschap van een dame die op een aftandse fiets rondje Groningen wilde gaan doen. In deze hitte? Ja hoor.

Enfin, uit de trein, plassen en op de fiets. Kennelijk gaat heel Nederland vlak voor de bouwvak nog even op de schop (om daarna dik drie weken opengepulkt te blijven irriteren) want wegomlegging na opbreking na wegomlegging. Het Jaagpad, dat ik toch moest hebben om niet enkel over provinciale autowegen te hoeven fietsen, was onbereikbaar. En dat in deze hitte. Ja hoor!

Om een lang verhaal kort en dramatischer te maken; uiteindelijk een weg gevonden waar de banden al zachter en zachter voelden. Fietsenwinkel gezocht, pompen, ventiel eruit, band gescheurd, gerepareerd en weer op pad. Een kilometer of twee verder, onbeduidend fietspad tussen de schapen en koeien op het platte land met de zon recht boven onze koppen: leegloop gesis. Band weer lek. Fietsenman bellen en terug strompelen naar een boom twee kilometer terug. Check dan maar even de mail. Feedback van de leestafelvriend. Liegt er niet om. Laat mij hier maar dood gaan dan. In deze hitte? Ja hoor!

Toch band beter gemaakt en verder. Voor de duvel niet bang en door. Door de mooiste (nooit geweten) Greuningse stadjes als Garnwerd op naar Leens. Onderweg tot aan de knieën in een sloot. Verkoeling. Hoofddoek in de sloot en op de kop. Inshallah! Daar in de verte: Leens. Nog 2 kilometer, nog 1. Verkeerd gereden.

Kommer en kwel maar het resultaat telt. Nu meters maken in de hangende tuin van landgoed Oosterhouw in Leens achter mijn laptop. Of misschien overnieuw beginnen en alles weggooien? Neeeee! Wel de moeder grotendeels, zij zat me toch niet zo lekker, komt dan wel in een volgend boek. Nu schrijven tot ik smelt. Was ik maar Lize Spit!