Suspension of disbelief

Een week niet geschreven aan mijn Uien in de Koelkast lijkt een week niet geleefd. Maar niet heus. Ik leefde even in Finland. In een huis aan een groot meer ten noorden van Helsinki. Ik liep wat verweesd rond want ik versta geen Fins, spreek het niet en begrijp het ook niet, al die klinkers naast elkaar.

Gelukkig voelde ik me wel thuis tussen de kaften van mijn meegebrachte Nederlandstalige boeken alhoewel Maryse Condé en Pieter Waterdrinker korte metten maakten met mijn, zo bleek, broze laagje zelfbewustheid want zo mooi, zo helder, zo logisch schrijven kan ik niet. Een warm welkom voor de negatieve faalangst. Een angst die naadloos overging in een schrijversdepressie na het lezen van een artikel over suspension of disbelief in Schrijven Online.

Suspension of disbelief? Erg belangrijk volgens het artikel maar ik had er nog nooit van gehoord maar weet nu zeker dat ik ook dát niet goed doe. Dus bedankt tussendoor vakantie, gerenommeerde schrijvers, online magazine en vooral bedankt mezelf: nu moet ik me aan mijn hoofdharen uit mijn writersblock trekken om verder te kunnen breien aan de Eilandhuishoofdstukken. En dat moet want die gaan morgen naar ‘mijn’ Linda, de strenge doch rechtvaardige schrijfcoach/redacteur dus ik mag mijn borst wel flink natmaken.

Gelukkig denk ik nu aan het eind van dit stukkie: zo de kop is er af. Ga nou morgen keihard aan de slag en probeer, als je durft, zo te schrijven dat de lezer zijn ongeloof opzij wil zetten, zijn disbelief wil suspenden.

Ja dat durf ik. Wedden?

Hou het lek boven

Het regende de hele dag, nee, het goot! Gisteren bij de weersvoorspelling dacht ik: ha regen, kan ik lekker de hele dag schrijven. De voorspelling kwam uit. De weergoden smeten het water met bakken uit de hemel. Maar ook van het appartement zevenhoog viel het water langs de muren naar de zesde, vijfde, vierde en misschien ook derde verdieping. (Ze zijn op vakantie de mensen van de derde dus niemand die het weet). Overstroming, gevalletje kraan vergeten dicht te draaien. Water van de zevende belandde in de badkamer en wc van onze buren.

Paniek in de tent. Angstige verhalen deden de ronde: ‘onze nieuw gestuukte muren bladderen af, tegels springen spontaan van de wand, kortsluiting in de lampen.’ En ‘iedereen moet zijn of haar verzekering waarschuwen, ja jij, bij wie nog geen lekkage te zien is, ook. Water stroomt altijd naar het laagste punt, zoekt een weg achterlangs, dringt zich dwars door spouwmuren heen en voor je het weet zijn ook jullie net gestuukte muren de pineut. Springen ook bij jullie die grote tegels van de muren.’

Wat te doen? De inboedelverzekering een schade melden die nog niet geleden is? Een kwestie van jezelf bij voorbaat verzekeren van dekking? Maar waar moet ik heen met mijn immateriële schade? Dat ik door de weeromstuit niet aan mijn boek heb kunnen werken? Geen letter getypt, geen woord, geen zin, niets, nada, niente, nothing!

Gelukkig heb ik nog wel een uurtje kunnen klozen voor mijn waarde schrijfvriend Johnnie Bonaire totdat mijn hond op springen stond en naar buiten wilde. Het arme beest, zomaar in haar naakte vachtje door dat hondenweer. Arme ik ook in mijn doorweekte broek, jas, t-shirt, schoenen, sokken.

Wat doe je er aan? Dat krijg je als het regent. De boeren zullen wel blij zijn. Zorg dat je het lek boven krijgt, zei mijn vader altijd. Moet je eens zien wat dat lek op zeven hoog, boven dus hè, heeft veroorzaakt!

Poeplink, of met gevaar voor eigen leven

Ik was het niet! Ik was het echt niet. Ik zat alleen maar hele dagen te schrijven in #Oosterhouw in Leens aan hoofdstukken over het soms moeizame leven van ‘mijn’ Frits en Lina. Ik schreef nieuwe hoofdstukken en knutselde (hopelijk niet: knoeide) aan eerdere hoofdstukken en ik schreef Lina’s moeder zo goed als weg. Wat moest dat mens daar ook, ze trad teveel op de voorgrond. Teveel uitweiden is de dood voor het werkelijke verhaal.

Heb ik een handje van: uitweiden. Ben je natuurlijk al achter want nu weet je nog steeds niet wat ik niet was. Hier komt tie dan: ik was niet de glijbaanpoeper van Leens! Mijn retraitelandhuis ligt weliswaar op steenworp afstand van het zwembad en ik hoorde in mijn slapeloze nachten regelmatig gejoel van die kant maar wie bedenkt dat dat afkomstig is van een stelletje pubers die ’s nachts over het hek klimmen om te zwemmen, te chillen en te bouten op de (toen natuurlijk droge) waterglijbaan.

Zondag hoorde ik het op de radio I, maandag las ik het in de plaatselijke krant: vandalen scheten de waterglijbaan vol en ruimden het niet op. Lekker dan. Ben je uit je goeie hart vrijwilliger geworden om je dorpelingen een frisse duik te bezorgen, kan je op je nuchtere maag de drollen van hun gebroed weghalen. Kraan aan en de waterglijbaan lekker laten schoonspoelen, zou je zeggen maar nee, dat kan niet want dan komen al die excrementen in het chloorarme zwembadwater.

Leens in rep en roer, en ik zat daar maar als een kloosterling, te schrijven achter mijn gele tafeltje in de parktuin. Natuurlijk begrijp ik de frustratie van het zwembadbestuur, de zwembadvrijwilligers, de burgemeester en de veldwachters. En niet te vergeten, die van de overige dorpelingen want hun zwembad is gesloten voor onbepaalde tijd. Voor straf en uit hygiënisch oogpunt. Het water dient ontsmet, met al die bacillen is zwemmen natuurlijk poepielink geworden.