Ze heeft het vaak koud, vooral in de winter. Dat komt, ze houdt van de zomer, de zon op haar gezicht, op haar blote buik en benen. Als klein meisje al, wilde ze net als haar broer met ontbloot bovenlijf in de tuin spelen. Dat mocht niet. Omdat ze een meisje was. Ze begreep dat niet. Nog niet.Later gaf het niet meer, ze wilde toch niet naar een naturistencamping. De hele dag naakt rondlopen? Met onappetijtelijke naakte mannen en vrouwen?Haar eigen man vond ze mooi, zelfs naakt onder de douche, tot die laatste keer met dat scheermes.
Rafels , fragmenten & Achtergrond
Verzwegen herinneringen
Gisteravond keek ik Evelyn een film over verzwegen herinneringen. Tien jaar lang, spraken broers en zus, moeder, vader en stiefmoeder niet over de zelfmoord van hun broertje en zoon.
In de documentaire wandelen ze door het Lake District, de favoriete hikeplek van E!, zoals de broers hun dooie broertje noemen. Onderweg sluiten ook zijn vroegere vrienden aan.
In eerste instantie houden ze hun emoties in. Niet omdat het moet maar omdat ze niet durven. De pijn. Te groot. De angst voor pijn te groot.
Gaandeweg borrelen ze toch op, zij het mondjesmaat, de vragen, de herinneringen, de schuldgevoelens, de boosheid, weer de pijn en vooral het -nog steeds- gemis.
Tot halverwege de rouw letterlijk hun hart uitschiet. De tranen spetteren uit hun ogen, het snot kleeft hun lippen op elkaar, rauw geschreeuw glipt hun keel uit en ze bedekken hun oren met hun handen om het niet te hoeven horen.
Verzwegen herinneringen, dit doen ze. Ik wist het al. Ik probeer ze te vangen in mijn (eerste) roman, zoek naar hoe de hoofdpersonen, de ouders, ermee omgaan. De dialogen in de film, zo levensecht, met stiltes, eh…, maar… en vloekend weglopen, gelach ook; kan of moet ik dat zo ook in een boek, mijn Uien in de Koelkast, verwoorden?
Ja dat kan, het moet, zeg ik tegen mezelf, en laat vooral die gebaren erbij zien, dat snot, die vloeken, die tranen, het omdraaien, die troostende armen (of juist niet).
Goed voorbeeld, zo’n film.
Aan de slag maar weer.
Stilloos
Mijn moeder stapte uit bed op zoek naar háár moeder. ‘Waar is mijn mama?’ Ik moest het zeggen: ‘Je moeder is al veertien jaar dood mam.’ Ze huilde, begreep het niet. ‘Is het echt waar?’ ‘Ja, helaas mam.’ ‘Wie heeft er dan al die tijd voor ons gezorgd?’ Ineens drong het door; ze was haar kleine zelf, echtgenote en onze moeder tegelijk. Ze dacht dat ze gek werd. ‘Nee mam, je bent heel erg ziek en misschien heb je wel over oma gedroomd?’ ‘Nee,’ fluisterde ze, ‘ik heb stilloos geslapen.’