De zon freesde strepen in het raam.
‘Geen gezicht’, riep mama.
Anna pakte een schoonmaakdoekje, klauterde op de vensterbank, struikelde en sloeg met een harde klap tegen het glas. De ruit vertoonde enkel een barst, haar voorhoofdje een buil die mamma met natte washandjes probeerde klein te houden.
Anna huilde geen moment. ‘Ik was de ramen morgen wel mama.’
Het had veel erger kunnen aflopen, paniekte papa en riep ‘Mens kijk toch uit!’
Later vroeg haar moeder zich af waarom ze niet oplettender was geweest met haar kleine brokkenmaker.
Auteur: Marianne Schenderling
Vader
Soms gedraagt ze zich onbeholpen, komen de zinnen warrig uit haar mond. Dat komt, ze is haar leven lang al onzeker. Niet dat iemand anders het merkt, nee, ze verstaat de kunst haar leven te spelen, te doen hoe ze het liefst had willen overkomen.
Haar onzekerheid stoelt, ze weet het zeker, op het gemis van een vader. Zo’n behulpzame, liefhebbende doener die haar leerde een band te plakken, die een kastje timmerde voor in haar kamer. Maar zo’n vader had ze niet. Misschien dat ze daarom een afkeer voelde van mannen. Van naakte mannen vooral?
Bastaard
Ik was het meisje met dezelfde achternaam als mijn zusje Miks. Zij werd geboren uit een ordentelijk samenzijn tussen mijn moeder en meneer Z. Hij erkende mij zonder van me te houden. Van Miksje hield hij wel.
Soms, dan was hij naar het café, mocht ik op moeders schoot maar meestal speelde ik bij opa en oma. Daar beantwoordde tante Marie mijn vraag hoe het nou kon dat ze vier broers en zussen had terwijl ik er maar drie telde: zij, mijn moeder en oom Bart. Toen kwam ik erachter: broer Ko was
mijn echte vader.