Kwartels

Zo, het is volbracht. Nieuw huis, nieuwe woonplaats, toetsenbord ontdaan van vuil en stof, hond uitgelaten dus aan de slag. Ik kan er niet meer onderuit, heb nu alle smoezen de nek omgedraaid als ware het kwartels van de poelier die je niet met snavel een veren wilt serveren.
Niet dat ik er onderuit wil, helemaal niet, ik miste het schrijven, mijn Lina, Frits, Anne en de anderen dus ik ben blij dat alles aan kant is en dat ik weer door kan. Ik pak zometeen het hoofdstuk op van de geminimaliseerde Liesbeth en hoe zij het leven van haar dochter zag.
Zag? Ja, want ze overpeinst een en ander tijdens haar ziekbed.
Gaat ze dood? Moet dat? Ja, dat moet want precies door dat gemis, doorvoelt Lina haar ander verdriet. Alsof er een sluisdeur wordt opgetrokken, golft haar verdriet over haar heen. Zakt ze diep weg in de modder die haar stukgelopen huwelijk achterliet, verzuipt ze bijna in haar  heimwee naar hem en hun kind. Eindelijk, durft ze haar eigen rol te zien. De gevolgen van haar lamlendigheid, haar steeds trager wordend leven, haar afwijzingen maar ook erkent ze dat ze zich totaal heeft laten opslokken door haar grote verdriet, dat ze zich voelde alsof ze geraakt was door de straal van een deeltjesversneller.

Daarom heeft Uien in de Koelkast Liesbeth nodig. In een bijrolletje weliswaar  maar toch. Alle verhalen over háár jeugd en leven komen er niet in. Ik bewaar ze natuurlijk, voor een volgend boek, dat staat buiten kijf.

Kill your darlings maar begraaf ze niet direct.

Vingeroefening

Die Liesbeth moet eruit. Daarmee introduceer je een nieuwe  verhaallijn en die heeft niets te maken met wat je met Uien in de Koelkast voor ogen hebt.
Ze hebben gelijk, mijn criticasters, maar ik kan zo moeilijk afstand doen van Liesbeth, de moeder van Lina, de oma van Anna. Die vrouw die haar jeugd als voorkind moest doorleven, wiens  man van de een op de andere dag de kuierlatten nam waardoor ze zich voelde als een bij de deur gezette, door de katten opengescheurde zak vuil. Ze had twee kinderen groot te brengen, daarom moest ze hun vader wel te boven komen, en het lukte haar nog ook; ze groeide uit tot een in het Gooi gevierde schilderes. Iemand die mannen bij de vleet verorberde, zou je denken als je haar zo zag met haar fleurige jurkjes, altijd boven de knie en meestal met een verfvlek erop, haar halflange donkere krullen achter haar oren geborsteld en haar donkere ogen die, als ze naar je keek, jouw beeltenis eerst van jezelf lossneed om het daarna regelrecht op het doek voor haar te kwakken.  Maar  nee, aan mannen deed ze niet meer.  Haar kinderen zagen in ieder geval nooit een kandidaat papa uit de badkamer lopen. Precies die Liesbeth die tijdens haar laatste dagen, uren van haar ziekbed mijmerde, ijlde en hallucineerde over godmagwetenwat uit haar verleden, die vrouw met haar spannend verleden, mag niet meer meedoen. Ze leeft teveel haar eigen verhaallijn, tenzij – en daar biedt mijn Schrijftafelvriendin mij een mogelijke escape –  ik haar in dienst schrijf van haar dochter en diens man. Het is immers hun verhaal. Ik probeer het.

Met dat ze zieker werd, buitelden de gedachten en herinneringen over elkaar. Het was waar van die film, maar moest dat nu al? Gek genoeg voelde het weer zo fijn om de kleine Lina, dat zachte, lieve diertje met haar nog weke nageltjes onder haar pon tegen haar aan te voelen kruipen.
Geroezemoes om haar heen, vrouwen in witte kleren kletsten, die ene met blond haar huilde, een ongeschoren man gaf haar een hand, de open gordijnen, de sterren buiten en een blaffende hond. Wat? Waarom fluisterde die blonde vrouw dat ze murmelde en zo oud toonde? Dacht ze dat zij het niet hoorde?
Oud? Bedoelde dat mens haar? Alsof ze een omaatje was, zo spraken ze over haar! Een oma? Niks voor haar. Ze wilde pertinent niet, nooit, zo’n vrouw zijn bij wie de kleinkinderen op zolder tenten bouwde of  wier kinderen verhalen vertelden over dwarse kinderen terwijl ze zelf ooit reuze dwars waren geweest. Invaloma worden? Geen denken aan, schudde ze haar hoofd van links naar rechts en perste haar lippen nog maar eens op elkaar.
‘Ik stoot mijn hoofd zelf nog te vaak,’ gebruikte ze als argument maar eigenlijk vond ze oprecht dat haar kind, net zoals zij, zelf voor haar kind moest zorgen want zij, het moest nu eindelijk maar gezegd, had het gewoon te druk met haar eigen leven.
Niet dat ze niet trots was geweest op de kleine Anna, apetrots zelf, en bovendien, dat verbaasde haar nog het meest, ze hield al direct van die kleine meid. Al vanaf de allereerste keer dat ze voorzichtig de kersverse baby in haar armen kreeg. Ze glimlachte en proefde weer die zachte  warme traan net als toen haar Lina huilde om haar zieke kind.

Ze lag maar wankelde toch

 

 

Verhuizen

Leefde ik nog maar als holenmens of leidde ik een nomadenbestaan dan had ik aan twee kookpotten en een extra berenvel genoeg. Ik zou het vuur ontdekken en er een tak in slijpen om daarmee mijn gedachten en fantasieën uit te beelden op een boom bijvoorbeeld en ondertussen denken: waarom van deze boom geen papier te maken, of ik breng symbolen aan op een steen en denk: Mozes wat een mooie schrijftafel is dit! Maar neen, ik ben een modern mens en sleep negentig dozen huisraad, boeken, rotzooi, een tafel en stoelen, een bureautje en een laptop mee en denk: gelukkig de mens die (straks)  schrijven kan.