Fietsersleed

Tijdens een fietsvakantie beland ik door een wolkbreuk in een handelsreizigershotel avant la lettre. Met zijn afgebladderde muren, versleten vloerbedekking en een sacherijnig kijkende hotelbediende, leek het een gastenverblijf uit een Oostblokland. In het restaurant zie ik lege schrappen, krom getrokken formica tafeltjes en houten stoelen die hoog nodig aan een schoonmaakbeurt toe zijn. Een kamer kost 75 euro. Om die te bemachtigen moet ik een formulier invullen, een kopie van mijn paspoort inleveren en direct betalen. Voor vijftien euro extra maak ik aanspraak op een ontbijt.

Ik heb flink trek na zeventig kilometer fietsen, maar besluit eerst mijn natte kleren uit te hangen, te douchen en daarna pas te eten.De naar sigarettenrook stinkende lift brengt me krakend en steunend twee etages hoger. Daar aangekomen zeul ik mijn twee fietstassen over het uitgesleten morsig tapijt dat ooit blauw geweest moest zijn naar kamer 202. Pas na vier keer lukt het me de sleutel om te draaien.

Met een schurend geluid, de onderkant van de deur loopt vast, verschaf ik mij toegang tot mijn domein voor één nacht. Zoals een pas geboren giraffe bijna door zijn benen zakt als hij voor het eerst probeert te staan, bezwijkt ook de kofferstandaard onder mijn bagage. Snel zet ik de tassen naast het bed en ga zitten. Het bed kreunt onder mijn gewicht. Het matras lijkt een zwart gat dat me dreigt te verzwelgen. Gelukkig zijn de linnen lakens smetteloos schoon. In de douchehoek houdt een roestige stang de rafelige gordijnen met zwarte schimmelstrook aan de onderkant vast. Ik kleed me uit, draai met succes de kraan open en stap in de witte emaillen douchebak. Te snel, te onvoorzichtig. De spiegelgladde bodem evenaart die van de Thialf, het gordijn biedt nauwelijks houvast. Ik balanceer een halve seconde op mijn hiel, dan schiet mijn rechterbeen naar voren. Mijn kuit knalt op de rand van de douchebak, mijn knie kraakt en ik beland op mijn blote billen op de ruwe vloerbedekking. Daar lig ik dan. In mijn meest elementaire nakie, onder een gedeeltelijk van de roede getrokken gordijn op een inmiddels doorweekt tapijt. Ik draai me om en kruip op mijn knieën naar de douchebak waar ik het water over mijn gewonde lichaam laat sproeien. Gewassen, afgedroogd maar geblutst strompel ik een half uur later naar beneden. De ober, dezelfde man die mij had ingeschreven in het hotelregister, kijkt me bevreemdend aan. Ik doe alsof ik het niet zie. ‘Een alcoholvrij biertje en het menu alstublieft.’

‘We hebben geen nul punt nul.’

‘O, doet u dan maar een cola zero.’

‘Pepsi,’ verbetert hij mij bars.

Ik haal mijn schouders op. ‘Mij best.’ Ik bestel wat later blijkt een waterige bietensoep gevolgd door een kleffe schnitzel met slap gekookte haricoverts en aangebrande aardappelschijfjes. Het vult maar smaakt niet. De ober leunt tegen de bar en wacht met een verveeld gezicht tot ik klaar ben. Direct na mijn laatste hap presenteert hij me de rekening. Ik betaal en vertrek naar mijn kamer. Die nacht doe ik geen oog dicht. De losgeschoten spiralen prikken gemeen in mijn door de doucheval nog pijnlijkere fietserrug. De volgende ochtend om zeven uur al ga ik op weg naar het pontje dat me naar de overkant zal brengen.

Geef een reactie