Het hartje en de boom

Als je vaak buiten loopt,  een hond hebt uit te laten, zie je nog eens wat. Vanmorgen, in het bos (woud staat op het bordje maar ik hou het op bos) zag ik bomen. Hoge bomen, lage bomen, dikke bomen, slanke bomen, omgewaaide bomen, neergebliksemde bomen, vermolmde bomen, oude bomen en jonge bomen.  Allemaal bomen met een geschiedenis, met een verhaal, hún levensverhaal.

Daar zou een slimmerik best eens een cursus voor kunnen ontwikkelen, dacht ik,  zodat de  bomen eindelijk eens  de story of their life kunnen vertellen. Dramatische verhalen over hoe de storm aan hun wezen rukt, nijdig hun takken tegen de stammen zwiept, al hun bladeren laat verliezen,  hun wortels los sjort en omver trekt. Ze komen vast ook met rampspoed over de zon die hun amechtige wortels geselt en uitdroogt waardoor ze omvallen.
Omvallen, is natuurlijk het terugkerende thema, bomen vallen immers altijd om. En of dat niet genoeg is, judassen wij  mensen die bomen ook nog eens extra door hartjes in hun bast te kerven. Alleen omdat wij zo verliefd zijn. Alsof die bomen geen gevoel hebben! Bomen bloeden ook hoor.

En weet je wat ik nog het ergste vind?  Dat  verliefde stel dat een hart met hun namen in de boom op de foto kraste, is al lang uit elkaar maar dertig jaar later staat die boom er nog steeds. Met het hart. En hun huwelijk ligt in honderd scherven. En van de therapeut in mijn boek moeten ze herinneringen ophalen, delen ook vooral.

Of het helpt? Niemand die ’t nog weet want het boek is nog niet af.

Arm boek, arme boom, arm hart

Kraaienpoten op zee

Onze Ciara, de storm van begin februari, zweept het water  op. Ze maakt het bijkans onbevaarbaar.  Nu deze week de zon, maan en aarde ook nog op één lijn staan, trekken ze het water aan.  Of het water trekt hen aan, dat kan ook.  Springtij noemen we dat;  het water stijgt hoger en hoger tot, je mag het niet hopen, een stormvloed of zelfs springvloed.

Ben ik blij dat Lina en Frits, mijn hoofdpersonen nog niet op de boot naar het eiland zitten. Je zou je hart toch vasthouden? Kijk dan, hoe die twee jonge passagiers, die net de Titanic hebben gezien, met grote angstogen het gebonk en gewiebel van die boot op het water volgen. Aanstellerij natuurlijk want de veerboot is het ploegen op de korte golfslag wel gewend maar dat weten zij niet. Krijg je als je onvoorbereid op reis gaat. Ook al is het maar een klein stukkie.
Vervelender, want je ruikt het, zijn de kotsende mensen die het dek net niet halen. Wat een afgang! Janken geblazen natuurlijk. En  eh…wie ruimt die viezigheid op? Geen lichtmatroos te bekennen.

Nee, mijn arme Lina en Frits zouden zich als met het Ubervirus besmette cruisegangers voelen. Ontheemd en in de steek gelaten omdat ze nergens mogen aanleggen en al voor de derde achtereeenvolgende dag hetzelfde mondkapje dragen. Bah! zou Lina zeggen, die als vroedvrouw natuurlijk erg pro hygiene is en daarom ook wil dat de autoriteiten nu direct een lading wcpapier droppen. Voor Frits hoeft dat niet, hij wil liever bevoorraad worden met vers fruit en groene groente om scheurbuik te voorkomen.

Storm in een glas water dit. Helemaal niet nodig, ze zijn nog gewoon aan wal. Hebben net hun laatste (of voorlaatste) therapiesessie uitgezeten en lopen nu, ieder voor zich, te pietekutten over van alles en nog wat.
Ze gaan heus wel naar dat eiland, ik twijfel er niet aan maar nu nog even niet. Het lijkt wel alsof iemand kraaienpoten op hun weg heeft gestrooid

zo worden ze steeds opgehouden.

 

Jutten

Gisteren liepen mijn hond en ik op het strand in IJmuiden. Hond racete heen en weer, ik stevig de pas er in vooruit. Onze tocht voerde  van het strandvonderpad via het zoutgespoelde zand naar de pier en terug.

Vanaf de pier zag ik plukjes mensen en eenlingen op  een stuk zand ter grootte van een half voetbalveld. Een samenscholing? Dichterbij gekomen zag ik dat ze met gebogen ruggen over het strand struinden. Zo  nu en dan bukte iemand om iets op te rapen. Nog dichterbij zag ik dat het gebied bezaaid lag met duizenden aangespoelde scheermesjes, kokkels en andere schulpen.
Zouden die mensen eetbare mosselen zoeken, vroeg ik mezelf af.  Idiote gedachte want waar ik ook keek, ik ontwaarde enkel lege schalen van zeediertjes die het in de woeste golven niet gered hadden. Niets eetbaars zochten die mensen, wat dan wel?
Gewoon maar vragen. Is vaak het beste.

Ik stapte over de kniersende en brekende zeedierpantsers en vroeg het een oude dame met stok en zilvergrijs haar.
‘Mag ik vragen wat u hier zoekt?’
De vrouw keek op, knikte vriendelijk en brande direct los.
‘Mijn dochter belde me vanmorgen en zei “kom op mam, het is mooi weer, we gaan naar het strand.” Nou heerlijk, dacht ik, want ik hou van het strand. Weet u, ik ben zevenentachtig en het gaat allemaal niet meer so soepel. Ik loop met een stok, deze,’ ze hief haar houten wandelstok naar me op om haar gelijk te bewijzen, ‘ik zie niet meer zo goed, hoor bijna niks en …’ ze sloeg haar hand voor haar mond, ‘hoor mij nu eens klagen. Nee hoor mevrouw, ik vind het heerlijk hier.  Dat eindeloze water, het zand dat verdwijnt en steeds weer terugkomt.  Al die schelpen, prachtig! En weet u, ik zoek altijd mooie dingen. Ik jut de mooiste schelpen bij elkaar.
Aan mijn tuin grenst een school en vanmiddag laat ik deze bijzondere schelpen aan de schoolkinderen zien. Dan vertel ik ze ook dat ik morgen de tas op mijn rollator helemaal vol laad met schelpen die  ik in de tuin tussen het gras en het paadje stort. Tegen het onkruid. Schelpen laten namelijk de kwaadjes in de tuin stikken en dan zeg ik tegen die kinderen

Mooi hè, de natuur?