Tevreden met minder

Ik ben een maandagochtendmens. Iedere eerste dag van de week schrik ik om zes uur wakker als de eerste tram over de brug dendert. Metaal op metaal krast fluittonen in mijn oren.
Meestal draai ik me dan nog een keertje om.
Zes uur? Ben jij gek!

Deze ochtend verloopt anders.
Een met geen paracetamolletje te bestrijden hoofdpijn legt mij lam. Onrechtvaardig want gisteren dronk ik geen druppel wijn of gemberbier; zondag rustdag, ook voor de lever.
Nog irritanter, mijn door de malaise zware handen richten niets uit, enkel dit ultrakorte blogje. Soms moet je gewoon tevreden zijn met minder.

 

Show do not tell

Loop ik vanmorgen in het bos, met de hond (waarom zou ik anders op zaterdagmorgen in een bos gaan lopen, er moet toch een boek geschreven worden) denk ik ineens aan hoofdstuk zes. Het dramahoofdstuk waarin het kind ziek wordt en sterft.  Het is te plastisch, te banaal, schiet het door mijn hoofd. Ik moet laten zien hoe het kind erbij ligt, het verdriet van haar mama en papa laten voelen.

Show do not tell. De moeder aller schrijflessen.
Makkelijker gezegd dan gedaan.

Plotsklaps klikt een diavoorstelling aan in mijn hoofd.
Dia één: Museum More in Gorssel.
Dia twee: een vitrine met een slapend (of is zij ook dood?) meisje. Het kind is van top tot teen in wit gekleed en ligt onder een grote witte wolf (of wolfshond, daar wil ik van af zijn).
Einde diavoorstelling.
Dat beeld! Ik heb er foto’s van.

IMG_1352

‘Je kunt er een metafoor van maken,’ roept een stem uit de hemel.
‘Kom op, naar huis nu,’ zeg ik tegen de hond, ‘ik wil die foto’s bekijken, dat beeld binnen laten komen.’
Ik dank God op mijn blote knieën dat hond gelaten met me mee slentert. Een half uurtje later zit ik achter mijn scherm en herschrijf de doodscène van drie hoofdstukken terug:

Daar lag ze met haar witte gezicht en bezwete haar op het kussen, haar broze lijf in die te grote witte pon; hun kind vermorzeld door de grote boze wolf. God betere het, met nog steeds een glimlach op haar gezicht.  

Visualiseren helpt,  dé les van deze zaterdagochtend. Kijken, kijken, kijken (en luisteren en ruiken en voelen) en associëren maar. En fantaseren. Schrijven is (te) leren.

Staat als een huis

Een jaar of elf geleden zag ik, op reis in Egypte, een eenzaam woestijnhuis. Zo’n lemen blokkendoos met vier muren, een deur, een raam en een dak erboven.
Wat, dacht ik, als daar binnen twee mensen op houten stoelen onder dwang van een man met een karabijn elkaar hun herinneringen vertellen.

Waar haal je het vandaan, zou mijn moeder zeggen. Te absurd voor woorden, meesmuilde mijn reisgenoot.
Maar weet je, deze fantasie vormde wél de basis voor Uien in de Koelkast, mijn eerste echte roman.
Er komt geen woestijn in voor, laat staan een huis in de woestijn. Dat is er in de loop der jaren uitgesleten. Zand erover.
De twee mensen zijn er nog wel: Lina en Frits. Net zoals het thema, de noodzaak om herinneringen te delen, in tact is gebleven. De man met de karabijn staat al lang niet meer in de hoek.

Waar het over gaat?
Lina en Frits hebben tijdens de ziekte van hun dochtertje hun angst, wanhoop en verdriet voor zich gehouden. Na haar overlijden lijken alle (nieuwe) gebeurtenissen en gevoelens een geheugen te hebben en landen boven op oude angst, argwaan, boosheid, eenzaamheid en gemis. De twee groeien uit elkaar. Een therapeut adviseert hen samen herinneringen op te halen en elkaar helpen te leren rouwen.
Dat doen ze. In een alleenstaand huis in de middle of nowhere. En en passant  ontrafelen ze ook  nog een geheim.

Het boek, de intriges, de loop der dingen, de plot, dat is het leuke en spannende van schrijven, ze komen zomaar uit mijn toetsenbord, mijn fantasie. Of uit míjn geheugen?
Volgend voorjaar (2020) ligt het boek in de boekwinkel naast de Jurk mag uit van Antonia van Boven