Jongens en meisjes

In het dorp waar hij woont zijn bijna alle jongens vaderskinderen. Zelf zat hij tot zijn zestiende nog bij pappa op schoot. Pas toen hij voor het eerst zijn meisje zoende, kuste hij zijn vader niet meer. De teleurstelling op dat stoppelig gezicht ging hem door merg en been en leek alleen uit te wissen met nog meer zachte meisjeslippen. Al na de derde keer, maakte hij zijn meisje zwanger. In het café, vertelde ze het hem, net zoals zijn moeder het achttien jaar geleden zijn vader toefluisterde.  Natuurlijk trouwde hij haar en toen de kleine kwam, bleek het tot zijn geluk een jongen. Ze noemden hem Piet.

De tweede was een meisje, Johanna. Tot haar tiende speelde zij lekker buiten, daarna moest ze direct uit school haar huishoudhandschoenen uit het aanrechtkastje pakken want in het dorp waar zij woont, helpen alle meisjes hun moeder. Dat weten ze, daar zijn ze voor, later worden zij immers ook moeder. Dus klagen die meisjes steen en been als hun voetballende broertjes met vieze schoenen over schone vloeren rennen.
Johanna niet. Zij doet niet mee. Zij vertikt het net als haar moeder te worden. Alleen als ze er echt niet onderuit komt, dweilt ze vlug de gang, met haar blote handen, om daarna weer linea recta naar haar boeken te rennen. Daar voelt ze zich pas thuis. Daarin lonkt het leven.

Komt het dan nooit af?

Ik zie mezelf nog zitten vorig jaar met een rood hoofd op het puntje van mijn stoel met kromme rug achter mijn laptop ergens in het Spaanse land. Ik werkte aan mijn schrijfplan, zoals de schrijfjuf het toen noemde. Ik schreef een flaptekst, een beknopte inhoud en bedacht  de hoofdstukindeling  inclusief een samenvatting van de scènes. Het regende dat het goot trouwens daar in Spanje net als nu hier.

Misschien is het het zeikweer dat me aan het denken zette en (nu bijna) deed besluiten de volgorde van mijn boek volledig om te gooien.
Huh? Waarom?
Omdat de chronologie me niet bevalt.
Omdat die zogenaamde logische volgorde bijna saai wordt.
Omdat het zo voorkabbelt (terwijl lezers schreeuwen om spanning!)

Wat nou als ik eerst het kind geboren laat worden en daarna, in hoofdstuk twee,  de ouders bij de therapeut zet?  Voor de eerste sessie natuurlijk zodat ze in het vervolg kunnen terugdenken of zelfs teruggrijpen op ‘vroeger’?

Wat nou als ik de sessies pitstops laat worden, vanwaaruit het verhaal zich verder ontwikkelt? Als ik gewoon een heel ander verhaal bouw met de bestaande ingrediënten?
Een verhaal waarin de lezer stiekem verborgen in een hoekje bij de peut de biechten aanhoort van de hoofdpersonen?
Een verhaal ook waarin die lezer zich afvraagt of de hoofdpersonen wel oprecht zijn? En waarin hij (de lezer) zijn antwoorden vindt in de vervolghoofdstukken waarin verteld wordt hoe ‘het’ echt is gegaan.  Of misschien ook niet.

Een andere  opbouw brengt vanzelf een andere structuur. Dan ook klinkt het logisch dat ik de therapiehoofdstukken in drieën moest splitsen van mijn schrijfcoach, de redacteur L.

Dus wat deed ik gisteren en vandaag?  Mijn hoofdstukken synopsis aanpassen.

Het regende toch dat het goot.

 

Observerend

De laatste zin, ik wist hem, opgetogen schreef ik dat hier een tijdje terug.
Mooi niet, dus. Past niet. Is te plat, te algemeen, te overgang, te…ik weet niet.
Dus weer een darling gekild.
Nou ja, darling, zoveel hield ik er nu ook niet van. Het was alleen de cadans, het klonk zo mooi toen ik hem in mijn hoofd hoorde: Ik zit ook midden in de overgang.
Al die i-en  én de twee o’s, denk ik. Schrijven heeft wel iets weg van componeren maar dan zonder geluid.

In ieder geval de laatste zin is niet meer en ik maal er niet om  want wat heb je aan een laatste zin als je daar überhaupt nog niet aan toe bent?  Ik heb pas net het hoofdstuk ‘Ontrafeld’ herschreven. Dat moest spannender, minder plastisch, minder uit de lucht gegrepen, zei mijn coach L. Meer therapeutentrucjes er in dus. Maar met welke vragen trekken ze cliënten over de brug opdat die hun verhalen vertellen, onder hun steen vandaan komen, uit hun shithole klimmen?
Gelukkig heb ik mijn eigen geheugen (wie is er nou niet in therapie geweest ) en gelukkig bestaat internet. Samen leverden ze  flink wat gereedschap voor psychotherapeuten op.

Op naar het volgend hoofdstuk!  We zitten in het Eilandhuis met z’n drietjes, mijn protagonist, de antagonist en ik. Er heerst een beetje beladen, bedompt sfeertje, zo nu en dan ineens afgewisseld met zo’n vanouds gevoel, bijna gezellig. Ik zie ze daarvan schrikken die twee. Misschien omdat ze weten dat ze aan de bak moeten? Dat daar geen ontkomen meer aan is? Ik hou me maar een beetje op de achtergrond, dat lijkt me het verstandigst, ik ben uiteindelijk slechts de

observant.