Gewoon daarom

‘Waarom zijn jullie nu pas een boek aan het schrijven?’ vroeg de man des huizes wiens vrouw en schoonmoeders voor ons, de Schrijftafelvrienden,  een heuse Bengaalse curry kookten.
Hij vroeg dat omdat wij, de schrijvers, allemaal minstens vijftig plus zijn.
‘Nou eh,’ brabbelde ik, omdat ik nu meer tijd heb en voorheen altijd druk, te druk, met werken en van alles was, maar,’ haastte ik me er achteraan te zeggen ‘het idee voor het boek waar ik nu aan werk lag al jaren in de kast en ik ben er een paar jaar geleden al aan begonnen maar toen kwam er gewoon van alles tussen.’

Nou ja, zo gewoon was dat niet wat er toen tussen kwam:  een oorverdovende verliefdheid of, want zo kan je het ook noemen, een verpletterende midlife crisis die me door ruiten en ramen liet denderen. Maar dat vertelde ik niet.

Wel schepte ik op over mijn staat van dienst. ‘Ik schreef al eens een boek over chronisch ziekten Niet de ziekte maar de mens getiteld. In die periode namelijk schreef ik als proffie voor magazines, opdrachtgevers en andere boeren en buitenlui. En,’ pochte ik verder, ‘ik schreef mijn eerste boek al op mijn elfde; een geschiedenisvertelling over Leidens ontzet.’  Zo probeerde ik de vragensteller af te troeven en zijn vraag ter ontwijken.

Tevergeefs, want mijn antwoorden, en die van mijn Schrijftafelvrienden (de tijd was niet rijp, er moest eerst van alles gebeuren in ons leven, ik moest er naar toe groeien), overtuigden de schoonzoon niet. Achteraf snap ik wel waarom. We gooiden allerlei excuses op tafel terwijl er maar één antwoord mogelijk is:  ik schrijf omdat

ik daar nu gelukkig van word.

Jongens en meisjes

In het dorp waar hij woont zijn bijna alle jongens vaderskinderen. Zelf zat hij tot zijn zestiende nog bij pappa op schoot. Pas toen hij voor het eerst zijn meisje zoende, kuste hij zijn vader niet meer. De teleurstelling op dat stoppelig gezicht ging hem door merg en been en leek alleen uit te wissen met nog meer zachte meisjeslippen. Al na de derde keer, maakte hij zijn meisje zwanger. In het café, vertelde ze het hem, net zoals zijn moeder het achttien jaar geleden zijn vader toefluisterde.  Natuurlijk trouwde hij haar en toen de kleine kwam, bleek het tot zijn geluk een jongen. Ze noemden hem Piet.

De tweede was een meisje, Johanna. Tot haar tiende speelde zij lekker buiten, daarna moest ze direct uit school haar huishoudhandschoenen uit het aanrechtkastje pakken want in het dorp waar zij woont, helpen alle meisjes hun moeder. Dat weten ze, daar zijn ze voor, later worden zij immers ook moeder. Dus klagen die meisjes steen en been als hun voetballende broertjes met vieze schoenen over schone vloeren rennen.
Johanna niet. Zij doet niet mee. Zij vertikt het net als haar moeder te worden. Alleen als ze er echt niet onderuit komt, dweilt ze vlug de gang, met haar blote handen, om daarna weer linea recta naar haar boeken te rennen. Daar voelt ze zich pas thuis. Daarin lonkt het leven.

Komt het dan nooit af?

Ik zie mezelf nog zitten vorig jaar met een rood hoofd op het puntje van mijn stoel met kromme rug achter mijn laptop ergens in het Spaanse land. Ik werkte aan mijn schrijfplan, zoals de schrijfjuf het toen noemde. Ik schreef een flaptekst, een beknopte inhoud en bedacht  de hoofdstukindeling  inclusief een samenvatting van de scènes. Het regende dat het goot trouwens daar in Spanje net als nu hier.

Misschien is het het zeikweer dat me aan het denken zette en (nu bijna) deed besluiten de volgorde van mijn boek volledig om te gooien.
Huh? Waarom?
Omdat de chronologie me niet bevalt.
Omdat die zogenaamde logische volgorde bijna saai wordt.
Omdat het zo voorkabbelt (terwijl lezers schreeuwen om spanning!)

Wat nou als ik eerst het kind geboren laat worden en daarna, in hoofdstuk twee,  de ouders bij de therapeut zet?  Voor de eerste sessie natuurlijk zodat ze in het vervolg kunnen terugdenken of zelfs teruggrijpen op ‘vroeger’?

Wat nou als ik de sessies pitstops laat worden, vanwaaruit het verhaal zich verder ontwikkelt? Als ik gewoon een heel ander verhaal bouw met de bestaande ingrediënten?
Een verhaal waarin de lezer stiekem verborgen in een hoekje bij de peut de biechten aanhoort van de hoofdpersonen?
Een verhaal ook waarin die lezer zich afvraagt of de hoofdpersonen wel oprecht zijn? En waarin hij (de lezer) zijn antwoorden vindt in de vervolghoofdstukken waarin verteld wordt hoe ‘het’ echt is gegaan.  Of misschien ook niet.

Een andere  opbouw brengt vanzelf een andere structuur. Dan ook klinkt het logisch dat ik de therapiehoofdstukken in drieën moest splitsen van mijn schrijfcoach, de redacteur L.

Dus wat deed ik gisteren en vandaag?  Mijn hoofdstukken synopsis aanpassen.

Het regende toch dat het goot.