Klara’s huwelijk

Roma bruid

Fragment uit: “Rollemanschiksie. Vier generaties van huis weg”

‘We trouwden, Zoni en ik. Wij kregen in die tijd nauwelijks voorlichting. “Kijk maar goed hoe de hengsten de  merries dekken,” zeiden de volwassenen als we vroegen hoe een baby in een moeders buik kwam. Van paarden wisten we alles. Logisch, we konden niet zonder ze. Zij trokken ons voort.

Hengstige merries droegen hun staart omhoog, plasten om de haverklap en waren niet vooruit te branden, maar met een hengst in de buurt hinnikten en blitzten ze zodat hun hele zaakje heen en weer bewoog. ‘Het dekken zelf,’ ze zweeg, trok haar mondhoeken naar beneden en schudde haar hoofd. ‘Zo wist ik hoe de vork in zijn steel stak.’

Ze lachte om haar eigen woordspeling. Het gelach eindigde in een raspende hoest. Ze sloeg een hand voor haar mond, viste met haar andere een wit kanten zakdoekje uit haar boezem en veegde haar lippen droog. Roze schuimspetters op het wit.

Ik schrok.  ‘Omi, u bloedt! U moet nu echt even rusten.’ Met haar bruine, bevlekte hand pakte zij mij bij mijn pols. ‘Ik weet het lieverd, dat hoort bij mijn ziekte. Het maakt niet uit. Ik wil je zo graag over mijn leven vertellen.’

Structuur

De structuur van mijn tweede roman “Van Huis_weg” (werktitel) is nogal een uitzoekerij. Wekenlang zag het eruit als een rafelige warboel met veel losse einden. Wat wil je ook met een vertelling over vier generaties zigeunervrouwen, bijna honderd jaar zogezegd. Een eeuw met talloze heftige gebeurtenissen: de grote crisis, een wereldoorlog waarin (ook) zigeuners vervolgd en vermoord werden, de wederopbouw, een flowerpowertijd veroorzaakt door een heuse jongerenrevolutie, het ik-tijdperk en de technologische vooruitgang tot in het heden.

Amen.

En nee, Corona doet niet mee, gelukkig. De verteller vertelt het verhaal begin 2012 In ieder geval veel uit te zoeken over die periodes, het woonwagenleven, de reizigerscultuur, hun taal, wat ze eten en drinken, geloofden of niet en al het andere. Een interessante en vooral ook plezierige zoektocht Maar goed, de structuur dus: vormen de tijdperken de haakjes of zijn het de vier vrouwen? Wat zou het beste werken? En wie zou de verteller dan zijn? Rode wangen van plezier en vingers die jeuken om het op te schrijven.

Wijnperen

‘Mijn vader zit in de wijnperen,’ zeiden we vroeger als iemand vroeg ‘wat doet je vader?’ Die vraag kwam regelmatig aan de orde op school als we een nieuwe juf of meester kregen. In de eerste twee klassen hadden we juffrouw van Dijk. Deze aardige, lieve juf zat met een duim in haar mond voor de klas. De juf van de derde en vierde gedroeg zich ronduit streng. In onze ogen was ze rijk, want ze  woonde, samen met haar moeder, in een chique laan én ze hadden een televisie.

Op woensdagmiddag mochten de besten van de klas  – ik was ook zo’n witvoetje – in dat deftige huis televisie kijken.De juf en haar moeder vroegen een stuiver entree voor hun privé bioscoop, maar dan kreeg je ook een glaasje ranja. Na vier keer, kwam er een eind aan onze televisie-uitjes. Het werd juf en haar moeder te veel dat we na de belevenissen van Flip de tovenaarsleerling opgewonden en uitgelaten joelend en schreeuwend door het huis renden. We sjeesden de brede houten trap op naar boven en gleden over de leuning naar beneden. Onze wanhopige juf en haar met een vaatdoekje gewapende moeder werkten ons voor eens en altijd de deur uit.

Een paar weken later kregen alle kinderen een spreekbeurt. Iedereen moest iets vertellen over het beroep van zijn of haar vader.   ‘Mijn vader zit in de wijnperen,’ begon ik en draaide mijn verhaal af. Het was een fantasie van mijn papa en mij. ‘Hij maakt zoete wijn van peren. Eerst bakt hij ze in een heel grote ketel en dan perst hij ze uit. Maar soms blijf hij met de gebakken peren zitten.’

De juf geloofde er helemaal niks van, zei ze. ‘In Nederland wordt geen wijn gemaakt. Laat staan wijn van peren. Ik wist al wel dat jij een grote mond kon hebben,’ wees ze mij terecht doelend op ons gejoel op haar trap, ‘maar dat je ook nog zo kunt liegen…’ Ze had er geen woorden voor. Ik kreeg een -1 voor mijn spreekbeurt.

Thuis vertelde ik huilend over het debacle, ik had nog nooit zo’n slecht cijfer gehad. Mijn moeder vond het een verschutting, zei ze. Mijn vader lachte de tranen in zijn ogen en zei: ‘Degene die voor schut gaat is die juf niet jij. Fantasie en durf, daar kom je verder mee, vergeet dat nooit.’

Ik ben het nooit vergeten dus schrijf ik.