
Vroeger zoenden mensen drie keer. Als klein kind leerde je dat al. Tijdens verjaardags-feestjes moest je het gewoon ondergaan: oudtantes en oude tantes drukten je aan hun borsten en stempelden natte klapzoenen op je wangen.
Vooral tante E was heel goed in dikke smakkerds. Je kreeg er steevast één op je wang, één aan de andere kant vlak naast je mond en één ergens in je hals. Soms draaide je net op tijd je gezicht weg en bleef het bij een luchtkus.
Ik vond het vies, maar deed later toch mee aan Hollands kussen. Drie zoenen waarvan één op de rechter, één op de linkerwang en als je niet uitkeek ook nog één vol op de bek.
En dat deed je met zowat iedereen.
Nieuwe collega? Zoenen na de eerste kerstborrel. Buren verhuizen? Afscheidszoenen. Nieuwe buren? Zoenen na de kennismakingsdrankjes. Op verjaardagsvisite? Eén grote zoenende meute.
Je kon mensen met getuite lippen nauwelijks ontlopen ondanks dat ik me in allerlei bochten wrong om ze te ontmoedigen. Een plots opkomende hoestbui, waardoor ik me moest omdraaien. Per ongeluk de andere kant opkijken zodat de kus in het luchtledige terecht kwam. Bij binnenkomst net doen alsof ik over de drempel struikelde of, en dat werkte ook goed, breed glimlachend mijn arm zo ver mogelijk uitstrekken. Afstand!
En toen stak het Covid19-virus de kop op. Anderhalve meter bij elkaar vandaan blijven. Mondkapjes op. Zo min mogelijk bezoek en, o heerlijkheid, niet zoenen. Laat staan drie keer.
De moraal van dit verhaal? Nooit meer drie keer zoenen is voor iedereen gezonder.
Kan me er helemaal in vinden.