Vrije Reizigers of een achtergesteld leven?

Afbeelding

Foto: Rolleman (Facebook)

In Rollemanschiksie. Vier generaties van huis weg spelen reizigers de  hoofdrol. Klara, Crina, Afina en Raji  en andere  familieleden zijn gebaseerd op wat ik te weten ben gekomen over Roma en Sinti. Deze  mensen zonder land en nationaliteit. behoren weliswaar tot één volk, maar hebben ieder hun eigen tradities en spreken verschillende dialecten. De onwetende  burgerij scheren hen sinds jaar en dag echter allemaal  over één kam en noem(d)en hen zigeuners,  gypsies, guanos, egyptiers of tsiganes.

Pas in de zeventiende eeuw lijkt er een omslag te ontstaan. In de ban van  de Romantiek  gaan  welgestelde hoger geplaatsten met andere ogen kijken naar de  ‘zigeuners’  en zien hen als  hét voorbeeld van hoe zij zouden willen leven, namelijk als pure, vrije natuurmensen. De gewone burgers, boeren en buitenlui, altijd bezig brood op de plank te krijgen,  kunnen zich dergelijke verheven gedachtes niet veroorloven; voor hen blijven de reizigers nog altijd dieven, spionnen, kinderlokkers of erger.  Van de weeromstuit gingen de  Roma en Sinti   ‘de gajes’ zoveel mogelijk uit de weg. Zo bleven de vooroordelen over en weer telkens opnieuw bevestigd.

Vanaf eind 19e, begin 20e eeuw reizen groepen Sinti en Roma vanuit het oosten Nederland  binnen. Ze verdienen hun kost als dagloner bij boeren, als paardenhandelaar, muzikant, berenleider, ketellapper of metaalbewerker. 1933 met de opkomst van het nationaal socialisme worden zigeuners net als joden beschouwd als minderwaardige mensen. Behalve zes miljoen joden, stierven er tussen de vijfhonderdduizend en één miljoen Roma en Sinti in de concentratiekampen. Na de bevrijding konden deze statenloze nergens terecht en  werden heen en weer gejaagd door niemandsland.

Na WOII stelde de Nederlandse overheid  paal en perk aan het reizend bestaan,  Wie  in Nederland wilde blijven, kreeg  te maken met de Woonwagenwet die voorschreef dat men een vergunning moest hebben  om in een woonwagen te wonen.  Om zo’n vergunning te krijgen moest je kunnen lezen en schrijven, werk hebben en … een vaste woon- en verblijfplaats. En, dat was um nou juist de crux, de meeste reizigers konden niet schrijven of lezen. Wie eenmaal wel een vergunning had weten te bemachtigen, moest evengoed lang wachten op een standplaats want het duurde jaren voordat gemeenten bereid waren de Roma te huisvesten, maar enkel in huizen;  woonwagens waren niet meer gewenst.

In de jaren negentig van de vorige eeuw trok een nieuwe groep Roma uit Oost Europa met andere vluchtelingen en asielzoekers mee Nederland in. Deze nieuwkomers reizen niet of nauwelijks meer.  Ze wonen in huizen, hebben een goede opleiding en baan  en weten hun weg in de Nederlandse maatschappij te vinden.

The making of …

“Rollemanschiksie. Vier generaties van huis weg” gaat over vier generaties reizigersvrouwen. Ik struinde maanden achtereen het internet af op zoek naar informatie over reizigers, verzamelde getuigenissen, verhalen, overleveringen en interviews, bekeek video’s en documentaires en beluisterde de meest prachtige droevige en evengoed opzwepende muziek.

Ik leerde veel (en nog steeds leer ik, want nog steeds moeten er dingen opgezocht en uitgeplozen worden). Wie schrijft over vier generaties ‘reizigers’ moet kunnen bedenken hoe deze mensen leefden (en leven), met welke gewoontes, taboes en overtuigingen.

Inmiddels weet ik waarom ze hun woonwagens verruilden voor een wagen op blokken en later voor een stenen huis. Ik kan uitleggen wat een kopersmid, blikslager of scharensliep voor de kost deed. Welke gerechten reizigers aten (en nog eten) bij speciale gebeurtenissen. Ik maakte zelf een paar van die recepten, proefde ze en stelde me voor dat ik zo’n maaltijd buiten voor mijn wagen at. Samen met de anderen, want reizigers, hebben hechte familieverbanden.

Ik schrijf dit boek voor een oude vrouw die ik jaren geleden heb ontmoet. Ik vroeg haar hoe ze haar leven tot dan toe had gevonden. Het speet haar, zei ze, dat ze haar hart niet had gevolgd. Als molenaarsdochter in het oosten van het land beleefde ze een nogal saaie jeugd. ‘Eerlijk gezegd, was er niks aan; ik moest zodra ik kon lopen meewerken in huis en op het land.’ Slechts één keer per jaar gebeurde er iets verrassends; vanuit Duitsland trok een bonte stoet zigeuners de grens over. Ze reden met hun wagens door haar dorp en bivakkeerden een paar dagen op een stuk land vlak bij de molen. Het meisje was helemaal weg van de vrolijke groep mensen in hun fleurige kleren en de kinderen met hun ongekamde haren en smoezelige gezichten. ‘Die vrijheid, om jaloers op te worden.’ Het water liep haar uit de mond bij de geur van het vlees op de roosters boven een vuur. Ze wilde net als deze mensen zingen en met haar rokken zwaaien. Ze vond het vreselijk als de groep verder reisde. ‘Ik had zo graag met de muziek meegereisd.’

In mijn roman mag ze alsnog mee met de

muziek mee