(Uit: Rafels: Deel twee, Hoofdstuk 1: Eerste avond)
De op één uienschil na lege koelkast zag er niet uit. Vanuit de flessenbak in de deur kropen slijmerige slakkensporen omhoog, in de groentenla dobberde een ondefinieerbare drab en de glasplaten leken bezaaid met maanzaad. Vliegenpoepjes bij nader inzien. Met dweiltjes en groene zeep, standaard mee in de vakantiebagage, boende ik de koelkast schoon. En de keukenkastjes. En de vensterbank. En de vloer. Natuurlijk
Heb ik van mijn moeder. Een dweil in haar handen: kuisen maar. Eén vlek op de gangvloer: grote schoonmaak. Iedere donderdag blonk het hele huis. Zat zij wanneer ik uit school kwam, met een glas wijn voor zichzelf en een kop thee voor mij, op me te wachten.
Over wijn gesproken, dat had ik nu ook wel verdiend.
‘Frits jij ook een wijntje,’ riep ik naar de kamer. Nog voor de echo van ‘ja, lekker,’ de keuken binnenglipte, plopte ik al een fles witte wijn open. Ik manoeuvreerde een dienblad met wijn, een half stokbrood, een homp chaume, een stukje gaperon, een bakje olijven en servetje ik de kamer in.
Pan al helemaal thuis lag op zijn rug, poten omhoog, volledige overgave. Frits onderuit gezakt op de bank stond snel op, haalde twee glazen uit de kast en smakte met zijn lippen. ‘Ah, lekker zeg, wat een goeie kaasjes.’
Wat kon die man toch blijmoedig kijken.
‘Proost.’
Hij hief zijn glas, draaide het, rook en nam een slokje, ‘ahhh.’
Goedgekeurd. De wijn, niet te kruidig of te zwaar, dronk prima weg. Te prima, want na een uur was de fles al leeg en gloeiden mijn wangen.
Frits vertelde handenwrijvend over de nieuwe opdracht voor zijn werk. Spraakwaterval.
Ik luister maar met een half oor, afgeleid door opruiende gedachten die mij helemaal platwalsten. De rotzakken dreinden dat dit te gezellig was en we het over serieuze dingen moesten hebben. Over vroeger, over ons, over dat mens en over Anna natuurlijk en waar hij was…
‘Ik weet niet of dit allemaal nou zo verstandig is.’
Frits stopte midden in een zin, grote ogen, een lange zware rimpel in zijn voorhoofd. Hij stond op, wilde zijn hand op mijn schouder leggen.
Ik schudde hem af. Alsjeblieft. Raak me niet aan.
Hij vulde een glas met water en gaf het aan me. ‘Hier verdun maar even.
Konden ze niet tegen,
mijn naarlingen.
Trees, de ouwe koppelaarster, stelde ons aan elkaar voor. Ik weet nog precies waar en wanneer: de tweede zaterdagmiddag van maart in café Boegbeeld midden in het centrum. Dat café is inmiddels ter ziele. Trees en ik zaten er al dik een uur toen Carl aanschoof met Frits. Carl kende ik al een beetje, Frits zag ik voor het eerst.
Die zaterdag in juli wilden we picknicken op een weiland ergens in Spaarnwoude. De zon scheen uitbundig, schoof ongeduldig een af en toe een passerend wolkje opzij om ruimbaan voor haar eigen gloed te maken. We struinden door hoge grassprieten en beginnende korenaren.