Missen

Ik miste haar, mijn ogen misten haar, mijn handen, mijn lippen, zelfs de kleine haartjes op mijn armen misten haar. Ik waakte ervoor om teveel van mijn voorraad herinneringen te snoepen. Mondjesmaat mocht ik mezelf haar lievelingsliedje laten horen. Mij voor de geest halen hoe haar lievelingsjurk haar stond en hoe haar ‘mama’ klonk.

Tegelijkertijd deed ik mijn uiterste best om haar niet voorgoed achter me te laten; haar jurkjes hingen op kleur in haar kast, geen afgeknipt nageltje schoof ik in de prullenbak, nog geen blond haartje trok ik uit haar borstel.
Kan je je voorstellen, dat moment toen ik even vergat hoe het voelde haar op schoot te hebben. ‘Betrapt,’ zei ik tegen mezelf. ‘Dit is je straf want wie herinneringen toelaat, staat toe dat het verleden tijd is geworden, een voorbij leven.’  Achteraf denk ik dat die overtuiging maakte dat ik niet over haar droomde of dat ze nooit aan me verscheen. Op één keer na.
Die keer, in de zomer daarna, hoorde ik haar in het park. ‘En op school heeft de juf ons voorgelezen en…’
Ik draaide me om. Een wapperend geruit blauw jurkje. Een klein meisje. Huppelend aan de hand van een jonge vrouw. Op weg naar de uitgang. Ik leefde mijn leven één seconde lang vol hoop. Mijn hart pompte als een overjarige stoommachine, sloeg over, viel stil, zwol aan, viel stil en pompte, minutenlang, telkens opnieuw. Toen ik bijkwam uit de obscene fantasie – ik heb er geen ander woord voor – zag ik het meisje en de vrouw verdwijnen tussen de andere parkwandelaars. Later zag ik een documentaire over rouwende mensen die opeens hun geliefde kind voor zich zagen. Een fantoomkind; altijd

het kind van een ander.

Naarlingen

(Uit: Rafels: Deel twee, Hoofdstuk 1: Eerste avond)

De op één uienschil na lege koelkast zag er niet uit. Vanuit de flessenbak in de deur kropen slijmerige slakkensporen omhoog, in de groentenla dobberde een ondefinieerbare drab en de glasplaten leken bezaaid met maanzaad. Vliegenpoepjes bij nader inzien. Met dweiltjes en groene zeep, standaard mee in de vakantiebagage, boende ik de koelkast schoon. En de keukenkastjes. En de vensterbank. En de vloer. Natuurlijk
Heb ik van mijn moeder. Een dweil in haar handen: kuisen maar. Eén vlek op de gangvloer: grote schoonmaak.  Iedere donderdag  blonk het hele huis.  Zat zij wanneer ik uit school kwam, met een glas wijn voor zichzelf en een kop thee voor mij, op me te wachten.
Over wijn gesproken, dat had ik nu ook wel verdiend.

‘Frits jij ook een wijntje,’ riep ik naar de kamer.  Nog voor de echo van ‘ja, lekker,’ de keuken binnenglipte, plopte ik al een fles witte wijn open.  Ik manoeuvreerde een dienblad met wijn, een half stokbrood, een homp chaume, een stukje gaperon, een bakje olijven en servetje ik de kamer in.
Pan al helemaal thuis lag op  zijn rug, poten omhoog, volledige overgave. Frits onderuit gezakt op de bank stond snel op, haalde twee glazen uit de kast en smakte met zijn lippen. ‘Ah, lekker zeg, wat een goeie kaasjes.’
Wat kon die man toch blijmoedig kijken.
‘Proost.’
Hij hief zijn glas, draaide het, rook en nam een slokje, ‘ahhh.’
Goedgekeurd. De wijn, niet te kruidig of te zwaar, dronk prima weg. Te prima, want na een uur was de fles al leeg en gloeiden mijn wangen.
Frits vertelde handenwrijvend over de nieuwe opdracht voor zijn werk. Spraakwaterval.
Ik luister maar met een half oor, afgeleid door opruiende gedachten die mij helemaal platwalsten. De rotzakken dreinden dat dit te gezellig was en we het over serieuze dingen moesten hebben. Over vroeger, over ons, over dat mens  en over Anna natuurlijk en waar hij was…
‘Ik weet niet of dit allemaal nou zo verstandig is.’
Frits stopte midden in een zin, grote ogen, een lange zware rimpel in zijn voorhoofd. Hij stond op, wilde zijn hand op mijn schouder leggen.
Ik schudde hem af. Alsjeblieft. Raak me niet aan.
Hij vulde een glas met water en gaf het aan me. ‘Hier verdun maar even.
Konden ze niet tegen,

mijn naarlingen.

 

Geboorte

Zie je me zitten, daar onder die blauwe parasol ?Kijk goed, in het midden, iets meer naar rechts. Achter de  derde pluk helmgras onder het hogere duin. Mijn toetsenbord knarst van al het zand maar dat maakt mij geen moer uit.
Rafels, moet namelijk af.  Rafels, zo gaat mijn roman heten. Definitief. De uien zijn voorgoed in de koelkast of eruit.  Nog één keer die allerlaatste definitieve versie herzien. En voilà, een herschreven fragment uit hoofdstuk twee.

Een halfuur later, stormde Frits de ziekenhuiskamer binnen. Zijn haar in de war, de veter van zijn rechterschoen los, zijn stropdas schuin over zijn schouder en zijn jas in zijn hand. In drie stappen stond hij bij mijn bed, boog over mij heen en kuste mij. Met een bijna smekende blik hakkelde hij : ‘Sorry, sorry, sorry, schatje, ik…’
Mijn moeder keek hem met strak op elkaar geperste lippen en priemende ogen neerbuigend aan. ‘Zo, eindelijk, daar ben je!’
Zij pikte mijn boosheid in. Ik kon hem niet vragen waar hij had uitgehangen. Niet waar zij bij was. Ach, die Frits met zijn trillende lippen. Ik keek hem aan. Drukte met mijn vrije arm zijn hoofd tegen het mijne en gaf hem een zoen.
‘Kijk lieverd, daar is ze, ons meisje, ze is zo lief, zo mooi onze Anna, kijk eens.’
‘Heb je haar Anna genoemd? We zouden toch…’
Toen, heel zachtjes, vroeg ik: ‘Waar was je Fritsie?’
Hij kuchte, keek weg.

uit: RAFELS