Corona, de Stones en het einde

Ergens in september vorig jaar juichte ik over mijn laatste zin.   Mooi niet dat ut um was. Sloeg nergens op die zin. Maar toen hadden we nog geen Corona. Nu wel, inclusief de quarantaine, de saaiheid, de stilte, de bezinning en het  ghosttown gebeuren waar de Rolling Stones deze week een song over uitbrachten.

Zesenzeventig is hij al Mick Jagger en still going strong, hoezo ben ik beducht voor mijn wat late debuut.

Goed, waar had ik het over? Laatste zin en Corona. Wat hebben die twee in godsnaam gemeen anders dan dat het virus heel erg hard zijn  best doet het laatste woord te hebben.
Dood jullie! Of in ieder geval doodziek, lijkt  de strijdkreet van het gemene monster.  En verder wil de kleine onzichtbare ploert – ik ga er voor het gemak vanuit dat het ding mannelijk is. Kroon in het  Spaans is in ieder geval el –  IC’s onderuit halen, zorgwerkers overbelasten, kleine zelfstandigen opslorpen,  nationale luchtvaart aan de grond zetten,  horeca om zeep helpen en de rest in vertwijfeling brengen.

Volgens sommigen is dit een straf van God. Bidden schijnt ook niet meer te helpen. Nou dan niet. Dus probeer ik maar de stekelige roller coaster voor te blijven en ga ik stoer naar buiten met mijn lange haar en zonnebril in de hoop dat het ding me niet herkent. Mijn hond aan de anderhalve meter lijn houdt wandelaars op gepaste afstand zodat zij mij niet  besmetten en verder was ik mijn handen  tot de schilfers er af vliegen, daar zal het niet aan liggen.
Niet dat ik bang ben,  voor de dooie dood nog niet. Ik heb een goeie conditie, ben al jaren niet ouder dan negenendertig en heb tot nu toe ieder zware griep, darminfectie of ander eng ding met glans doorstaan. Het enige dat ik vraag is … laat Hein en Corona alstublieft nog even wachten want HEEEE mijn Uien in de Koelkast moeten nog in de etalage.

Het duurt heus niet zo lang meer.  ‘De Corona’ en dat is echt een voordeel,  heeft mij  wekenlang, dag in dag uit, achter mijn scherm laten zitten tikken aan mijn boek. Tikken en schrappen dan wel te verstaan hè dat spreekt vanzelf.
Vorige week tikte ik de laatste  vijf letters (e i n d e). Daarna mochten mijn Schrijftafelvrienden los en verwerkte ik hun commentaar en opmerkingen. Viel reuze mee trouwens. Van mezelf moest ik ook alle in het boek voorkomende emoties niet enkel benoemen maar vooral laten zien, voelen, proeven, meemaken.
En nu, nu is het wachten op het commentaar van twee andere proeflezers. De dertigste gaat het manuscript naar ‘Mijn Linda’  en in afwachting van haar redactioneel eindoordeel,luister ik naar Ghost Town van de Stones, bijt ik mijn nagels helemaal kaal en elimineer ik ook nog eens stopwoordjes als: nog, wel, of, weer, alle, meer, graag, niet steeds, als, blijven, lachen. Dat is niet gering maar

 

 ‘het houdt me van de straat’

 

Uit liefde

Trees, de ouwe koppelaarster,  stelde ons aan elkaar voor.  Ik weet nog precies  waar en wanneer: de tweede zaterdagmiddag van maart in café Boegbeeld  midden in het centrum. Dat café is inmiddels ter ziele. Trees en ik zaten er al dik een uur toen Carl aanschoof met Frits. Carl kende ik al een beetje,  Frits zag ik voor het eerst.
Een leuke gast, vond ik. Hij zag er goed uit met zijn donkere krullen en strakke lijf en kwam ook nog aardig, interessant en grappig over.
Niet dat we op slag voor elkaar vielen, dat gebeurde pas later. Die eerste keer leek meer een déja vu: alsof ik hem al jaren kende, zo voelde het. Hem overkwam hetzelfde, ik zag het. Hij duwde zijn kin  omhoog en zijn ogen lichtten op toen Trees mij aan hem voorstelde, hij zei nog net niet Hee, jij ook hier.
Later zou hij zeggen dat hij in eerste instantie inderdaad dacht dat hij me kende. En dat hij mij leuk vond omdat ik van die hippe netnylons droeg.

Van het een kwam het ander. We dronken er een en nog een en nog een en raakten aan de praat.  Hij vroeg wat ik deed en daarna waarom ik vroedvrouw was geworden. Ik vroeg wat hij deed en waarom. We vroegen ons af, inmiddels al flinks aangeschoten, of onze keuzes voortkwamen uit onze opvoeding. Geen idee meer welke conclusies we trokken.
Na twee dagen belde hij me of ik zin had om met hem naar het Rietveld Schröderhuis in Utrecht te gaan. Konden we daarna misschien wat eten in de stad, hij kende een leuk kelderrestaurantje aan een van de grachtjes.
Ik hoefde er geen moment over na te denken, natuurlijk ging ik mee.
Daar in het museum dat de grote architect van Der Stijl inrichtte voor mevrouw Schröder, een kersverse weduwe die vol elan haar huis wilde herinrichten omdat zij het nu zelf voor het zeggen had, gebeurde het.
Frits wees me enthousiast hoe Rietveld een hoekraam had omgetoverd in een wijds uitzicht, ruimtes vergrootte of verkleinde, al naar gelang de behoefte van de bewoonster, door er schuifdeuren te plaatsen en meer vernuftige vondsten.
Ik keek mijn bevlogen metgezel van opzij aan, zag zijn vrolijke blije gezicht en ik viel op slag voor hem.  Alles in mij werd verliefd op die man. En hij zag het direct. Hij omarmde me en zei steeds opnieuw: ik ook op jou. Ik ook op jou. Ik ook op jou.

Diezelfde week trok hij al bij mij in, een halfjaar later trouwden we.

Uit liefde, voor altijd

Wolkbloem

(Uit: Uien in de Koelkast, of Rafels: de herinnering aan hoe het fout ging)

Die zaterdag in juli wilden we picknicken op een weiland ergens in Spaarnwoude. De zon scheen uitbundig, schoof ongeduldig een af en toe een passerend wolkje opzij om ruimbaan voor haar eigen gloed te maken. We struinden door hoge grassprieten en beginnende korenaren.

Voor ons lokte een veldje met uitbundig bloeiende margrieten en, op een paar pluisjes na bijna uitgebloeide, paardenbloemen.
‘Papa, papa,’ had ze geroepen, ‘kijk, een wolkbloem.’
Ik bukte naast haar en  bestudeerde haar vondst.
‘Dit is een pisseblom, lieverd.’
Natuurlijk lachte Anna om de gekke bloemennaam. Ze danste en zong: ‘pisse pisse pisseblom.’
‘Kijk,’ deed ik haar voor, ‘het is ook een blaasbloem. Blaas maar.’
En ze blies en blies, allemaal druppeltjes bloed.
Bloed!
Paniek sleepte ons aan onze haren van de picknickplaats naar de auto en in één ruk naar de eerste hulp.
‘Help, een dokter. Snel een dokter, nu.’
De dokter kwam. Ze brachten Anna naar een kamertje. Er kwamen nog meer dokters. Lina hield de hele tijd haar handje vast, streelde haar hoofd, haar haren, haar gezichtje. Haar eigen gezicht zond één en al angst en wanhoop uit.
De dokters schudden hun hoofden. Hun observaties en diagnoses bleken nauwelijks te vertolken naar woorden die konden horen.
Daar in het ziekenhuis verbrak onze betovering omdat -dat wist ik bijna zeker – zij dacht: hij had dat kind niet zo moeten laten blazen.

En ik dacht: had ik het maar

 gewoon een wolkbloem laten zijn