Rotzak


Ik schrok van het oude broze mensje in het grote houten bed. Haar nietige polsjes op het dubbeldikke dekbed, handen zonder houvast. Haar smalle bleke gezicht ondergedoken in de kraag van een rood vest. Om de haverklap tuimelde ze in een diepe slaap om daar even plotseling uit wakker te worden en me met  priemende ogen aan te kijken.
Hoe ze zich voelde?
Ze humde.
‘Niet zo goed dus,’ vulde ik voor haar in.

Ze keek me aan, brabbelde dat ik zo’n geslaagde architect was. ‘Jij  bent ook een creatieveling. Lina was zo verliefd op jou. Maar waarom  kwam je te laat voor de geboorte van je dochter?’
Ineens, ik schrok ervan, kwam ze half overeind, prikte in mijn borst en lispelde  ‘of ben jij ook zo’n onbetrouwbare rotzak?’
Direct daarna zakte ze weer terug in haar kussen, ogen dicht. Ze kreunde en ijlde maar toen ik opstond opende ze plotseling haar ogen. Helder blauw keek ze me aan en vroeg  ‘wil je het gordijn openschuiven?’
Pal  daar achteraan, ‘dank je voor je bezoek m’n jongen.’
Ziekte maakt mild; van díe rotzak werd ik haar jongen.
Ik beloofde nog eens langs te komen.

Ze sliep al weer.

Geboorte

Zie je me zitten, daar onder die blauwe parasol ?Kijk goed, in het midden, iets meer naar rechts. Achter de  derde pluk helmgras onder het hogere duin. Mijn toetsenbord knarst van al het zand maar dat maakt mij geen moer uit.
Rafels, moet namelijk af.  Rafels, zo gaat mijn roman heten. Definitief. De uien zijn voorgoed in de koelkast of eruit.  Nog één keer die allerlaatste definitieve versie herzien. En voilà, een herschreven fragment uit hoofdstuk twee.

Een halfuur later, stormde Frits de ziekenhuiskamer binnen. Zijn haar in de war, de veter van zijn rechterschoen los, zijn stropdas schuin over zijn schouder en zijn jas in zijn hand. In drie stappen stond hij bij mijn bed, boog over mij heen en kuste mij. Met een bijna smekende blik hakkelde hij : ‘Sorry, sorry, sorry, schatje, ik…’
Mijn moeder keek hem met strak op elkaar geperste lippen en priemende ogen neerbuigend aan. ‘Zo, eindelijk, daar ben je!’
Zij pikte mijn boosheid in. Ik kon hem niet vragen waar hij had uitgehangen. Niet waar zij bij was. Ach, die Frits met zijn trillende lippen. Ik keek hem aan. Drukte met mijn vrije arm zijn hoofd tegen het mijne en gaf hem een zoen.
‘Kijk lieverd, daar is ze, ons meisje, ze is zo lief, zo mooi onze Anna, kijk eens.’
‘Heb je haar Anna genoemd? We zouden toch…’
Toen, heel zachtjes, vroeg ik: ‘Waar was je Fritsie?’
Hij kuchte, keek weg.

uit: RAFELS

 

Corona, de Stones en het einde

Ergens in september vorig jaar juichte ik over mijn laatste zin.   Mooi niet dat ut um was. Sloeg nergens op die zin. Maar toen hadden we nog geen Corona. Nu wel, inclusief de quarantaine, de saaiheid, de stilte, de bezinning en het  ghosttown gebeuren waar de Rolling Stones deze week een song over uitbrachten.

Zesenzeventig is hij al Mick Jagger en still going strong, hoezo ben ik beducht voor mijn wat late debuut.

Goed, waar had ik het over? Laatste zin en Corona. Wat hebben die twee in godsnaam gemeen anders dan dat het virus heel erg hard zijn  best doet het laatste woord te hebben.
Dood jullie! Of in ieder geval doodziek, lijkt  de strijdkreet van het gemene monster.  En verder wil de kleine onzichtbare ploert – ik ga er voor het gemak vanuit dat het ding mannelijk is. Kroon in het  Spaans is in ieder geval el –  IC’s onderuit halen, zorgwerkers overbelasten, kleine zelfstandigen opslorpen,  nationale luchtvaart aan de grond zetten,  horeca om zeep helpen en de rest in vertwijfeling brengen.

Volgens sommigen is dit een straf van God. Bidden schijnt ook niet meer te helpen. Nou dan niet. Dus probeer ik maar de stekelige roller coaster voor te blijven en ga ik stoer naar buiten met mijn lange haar en zonnebril in de hoop dat het ding me niet herkent. Mijn hond aan de anderhalve meter lijn houdt wandelaars op gepaste afstand zodat zij mij niet  besmetten en verder was ik mijn handen  tot de schilfers er af vliegen, daar zal het niet aan liggen.
Niet dat ik bang ben,  voor de dooie dood nog niet. Ik heb een goeie conditie, ben al jaren niet ouder dan negenendertig en heb tot nu toe ieder zware griep, darminfectie of ander eng ding met glans doorstaan. Het enige dat ik vraag is … laat Hein en Corona alstublieft nog even wachten want HEEEE mijn Uien in de Koelkast moeten nog in de etalage.

Het duurt heus niet zo lang meer.  ‘De Corona’ en dat is echt een voordeel,  heeft mij  wekenlang, dag in dag uit, achter mijn scherm laten zitten tikken aan mijn boek. Tikken en schrappen dan wel te verstaan hè dat spreekt vanzelf.
Vorige week tikte ik de laatste  vijf letters (e i n d e). Daarna mochten mijn Schrijftafelvrienden los en verwerkte ik hun commentaar en opmerkingen. Viel reuze mee trouwens. Van mezelf moest ik ook alle in het boek voorkomende emoties niet enkel benoemen maar vooral laten zien, voelen, proeven, meemaken.
En nu, nu is het wachten op het commentaar van twee andere proeflezers. De dertigste gaat het manuscript naar ‘Mijn Linda’  en in afwachting van haar redactioneel eindoordeel,luister ik naar Ghost Town van de Stones, bijt ik mijn nagels helemaal kaal en elimineer ik ook nog eens stopwoordjes als: nog, wel, of, weer, alle, meer, graag, niet steeds, als, blijven, lachen. Dat is niet gering maar

 

 ‘het houdt me van de straat’