Sterke vrouwen

In de zestiger jaren  sjorden Dolle Mina’s  hun lange rokken op, gooiden hun haren los, ontblootten hun buiken, schreven er baas in eigen buik op en gingen aan de slag voor gelijke rechten.

Jacoba van Beieren in haar tijd  boog ook niet voor de opgelegde  man-vrouwverhoudingen en deed er van alles aan om haar wettelijke (opvolgings)recht te krijgen. Ze ging strategische huwelijken aan, sloot aan bij diplomatiek gekonkel en zette haar leger aan tot diverse veldslagen.

Florence Nightingale had lak aan conventies. Zijstroopte als verpleegkundige avant la lettre haar mouwen op om in ziekenbarakken aan frontlinies het bloed en de tranen van gewonde mannen te stelpen.

Haar tijdgenoot, Alette Jacobs, ging als eerste vrouw naar de universiteit en werkte haar hele leven aan het verbeteren van de positie van de vrouw.

Rosa Parks dan, in mijn ogen een ware heldin. Deze donker gekleurde vrouw stapte in 1955 in de bus, ging zitten en weigerde  op te staan voor een witte man. Met die daad zette ze de afschaffing van de rassenscheiding in werking.

En wat mijn betreft zijn vrouwen in de kunst  ook heldinnen.

  • Schilderes en muze Frida Kahlo.
  • Beeldhouwster Charlotte van der Gaag (1923-1999).
  • De  niet erkende  Cobra-kunstenares.
  • Maud Stevens Wagner, de eerste vrouwelijke tattoo artiest.

Maar  laat ik het nou ook eens  wat dichter bij huis houden. Liesbeth de moeder van Lina uit Rafels, reken ik ook tot de sterke vrouwen. Net als Klara, Crina, Afina en Raji uit Rollemanschiksie. Vier generaties van huis weg    want zeg nou zelf, je bent toch sterk als je over je leven vertelt,  je verdriet durft te doorleven, je fouten wilt erkennen en de toekomst

een kans  durft te geven.

Vrije Reizigers of een achtergesteld leven?

Afbeelding

Foto: Rolleman (Facebook)

In Rollemanschiksie. Vier generaties van huis weg spelen reizigers de  hoofdrol. Klara, Crina, Afina en Raji  en andere  familieleden zijn gebaseerd op wat ik te weten ben gekomen over Roma en Sinti. Deze  mensen zonder land en nationaliteit. behoren weliswaar tot één volk, maar hebben ieder hun eigen tradities en spreken verschillende dialecten. De onwetende  burgerij scheren hen sinds jaar en dag echter allemaal  over één kam en noem(d)en hen zigeuners,  gypsies, guanos, egyptiers of tsiganes.

Pas in de zeventiende eeuw lijkt er een omslag te ontstaan. In de ban van  de Romantiek  gaan  welgestelde hoger geplaatsten met andere ogen kijken naar de  ‘zigeuners’  en zien hen als  hét voorbeeld van hoe zij zouden willen leven, namelijk als pure, vrije natuurmensen. De gewone burgers, boeren en buitenlui, altijd bezig brood op de plank te krijgen,  kunnen zich dergelijke verheven gedachtes niet veroorloven; voor hen blijven de reizigers nog altijd dieven, spionnen, kinderlokkers of erger.  Van de weeromstuit gingen de  Roma en Sinti   ‘de gajes’ zoveel mogelijk uit de weg. Zo bleven de vooroordelen over en weer telkens opnieuw bevestigd.

Vanaf eind 19e, begin 20e eeuw reizen groepen Sinti en Roma vanuit het oosten Nederland  binnen. Ze verdienen hun kost als dagloner bij boeren, als paardenhandelaar, muzikant, berenleider, ketellapper of metaalbewerker. 1933 met de opkomst van het nationaal socialisme worden zigeuners net als joden beschouwd als minderwaardige mensen. Behalve zes miljoen joden, stierven er tussen de vijfhonderdduizend en één miljoen Roma en Sinti in de concentratiekampen. Na de bevrijding konden deze statenloze nergens terecht en  werden heen en weer gejaagd door niemandsland.

Na WOII stelde de Nederlandse overheid  paal en perk aan het reizend bestaan,  Wie  in Nederland wilde blijven, kreeg  te maken met de Woonwagenwet die voorschreef dat men een vergunning moest hebben  om in een woonwagen te wonen.  Om zo’n vergunning te krijgen moest je kunnen lezen en schrijven, werk hebben en … een vaste woon- en verblijfplaats. En, dat was um nou juist de crux, de meeste reizigers konden niet schrijven of lezen. Wie eenmaal wel een vergunning had weten te bemachtigen, moest evengoed lang wachten op een standplaats want het duurde jaren voordat gemeenten bereid waren de Roma te huisvesten, maar enkel in huizen;  woonwagens waren niet meer gewenst.

In de jaren negentig van de vorige eeuw trok een nieuwe groep Roma uit Oost Europa met andere vluchtelingen en asielzoekers mee Nederland in. Deze nieuwkomers reizen niet of nauwelijks meer.  Ze wonen in huizen, hebben een goede opleiding en baan  en weten hun weg in de Nederlandse maatschappij te vinden.

Klaartje van de Mul

AF041EB1-2F22-4C12-A0DF-51FB8C7B533D_4_5005_cFragment uit:  Rollemanschiksie. Vier generaties van huis weg.

”Ik ben geboren als Klaartje van de Mul, althans zo noemde iedereen me want mijn vader werkte als mulder, molenaar. We woonden in een dorp niet ver van de Duitse grens en spraken een mengelmoes van Nederlands en Duits. We noemden onze ouders vati en mutti, de molen was de möl en we aten breud in plaats van,’ ik hou het stuk brood dat Crina me gaf omhoog, ‘brood.’

Mijn dochter en achterkleindochter grinniken. Pff, gelukkig, ze lachen. ‘Klaartje, wat een rotnaam! Net als Zus, trouwens, zo noemden ze me thuis. Zus doe dit. Zus doe dat. Vort Zus, weg hier. Schiet op Zus. Mijn vader, mijn moeder, mijn broers, ze zeiden het allemaal en ik liep ze altijd in de weg. Ze vonden me een tegendraads kind én een handenbinder. Ja, ik was een ondernemend meisje en drentelde als kleine kleuter al van het woonhuis naar de molen. Ik liep in de weg als mijn vader en mijn broers grote zakken tarwe of koren leeggooiden in het steengat op de bovenste molensteen.

‘In het wat omi?’ Raji kijkt me verbaasd aan.

Foto: Molendatabase.nl