Groen als gras

Die geur van opdrogend nat gras. Muffig en toch fris, kruidig en toch waterig.
Toen ik het vanmorgen weer rook, liep ik regelrecht mijn kindertijd binnen.
Naar het erwtenland achter ons huis waar alle buurtkinderen speelden.
Nadat de erwten geplukt waren en wij de achtergebleven groen bolletjes in een vergiet hadden verzameld – de hele buurt at dagenlang illegale peulvruchten – groeide het gras welig door.

Tot augustus. Dan liepen de mannen in blauwgrijze werkpakken met grote zeisen in hun handen baantjes over het veld, van de sloot voor de school naar het schrikdraad achter de huizen.
Heen en weer, heen en weer tot het hele veld kaal was en er enkel nog hoopjes droog gras lagen. Een regenbuitje later en de geur der geuren drong in onze, nog niet door hooikoorts verstopte neusjes. Die muffige en toch frisse reuk, dat kruidige en toch waterige aroma; polderparfum voor ons plattelandskindertjes.

Ik zag ons kinderen weer voorzichtig onder het schrikdraad doorkruipen om over het veld te kunnen rennen. Weer voelde ik de lichte schokken in mijn handen door het schrikdraad. Nooit met blote handen altijd met een lange spriet gras of riet.
Ook proefde ik weer de gêne om het zien van de blote pikkies van de jongens die met een boog op het schrikdraad piesten om de schok ook daar te voelen. En weer kroop die eigenaardige fijne spanning langs mijn rug omhoog net als toen ik met een lange polsstok over de sloot probeerde te springen.
Plons er midden in.
Of net met mijn hakken over de sloot.
Geen spel voor meisjes, riep mijn moeder met overslaande stem. Lak had ik er aan. Het is toch niet eerlijk dat alleen jongens de leukste dingen mogen doen?
Daarom rende ik, net als de boys, keihard over de smalle duiker, nooit gevallen, en trok ook ik de verboden schuif van de duiker zodat de andere sloot vol water liep.

Wij waren groen als gras maar snoven onze vrijheid op en probeerden uit hoe ver die reikte.

Het stinkt

Ik opende het keukenkastje en greep middenin een kleverige zachte massa.
‘Gadver!’
De overvloed aan schimmel, muizenkeutels en spinrag rook als de verrotte aardappelmassa in de kruipruimte vroeger thuis toen vader een mud piepers in de voorkelder had laten kieperen.
‘Zo is er altijd wat in huis,’ had hij gezegd. Vooruitziende blik? Een laatste zorgdaad of schuldgevoel?
Nog geen twee maanden later was hij met de noorderzon vertrokken. Uit kwaadheid of principe hebben we nooit meer aardappelen gegeten. Daarom hadden we geen idee waar die penetrante geur in de gang vandaan kwam.
Totdat moeder het luik opende:

één druipende aardappelmassa.

Zand erover

Ze hadden het, hoe kan het ook anders, over vroeger. ‘Weet je nog dat je van het duin af rolde en je hoofd zo stootte?’ En of ze dat nog wist. Duinrollen, hét favoriete spel van hun meisje. Gierend van de lach met haren vol zand, takjes en konijnenkeutels stortte ze zich telkens opnieuw vanaf het terras het duin. Die dag duikelden zij ook mee. ‘Ik brak ook mijn arm op twee plekken hoor. Ik wilde jou ontwijken en sloeg met mijn hoofd en schouder tegen een boomstronk. Ik hoor weer de krak.’ Ze wreef over haar bovenarm. ‘O ja, dat is ook zo, je arm, ik weet het weer.’ Hij bloosde.

Hij voelt zich er nog schuldig om, dacht ze, niet nodig natuurlijk, gebeurde niet met opzet, maak het niet zo zwaar. ‘Als ik er nog aan denk,’ lachte ze, ‘dokter Bob die te paard kwam aangesneld. Te paard, dé snelste manier om bij patiënten te komen, de, hoe noemde hij het ook weer?’ ‘De hemelsbreed route,’ vulde Frits in. ‘Ja, dat was het. Hij hechtte terplekke het gat in mijn hoofd. Dat deed verdomde pijn vooral toen hij de hechtdraad aantrok, ondanks de verdoving. En,’ ze aarzelde even, ‘weet je dat ik me toen pas realiseerde dat ik de vrouwen die ik hechtte ook veel pijn deed?’ ‘Ja, je neemt in je werk toch afstand, zeker in jouw werk kan je niet met iedere wee of hechting mee gaan huilen. Ik bedoel,’ verbeterde hij zichzelf toen Lina kriegel opkeek, ‘het is goed dat je van toen af aan meer rekening kon houden met de pijn van je klanten, toch?’

Lina zuchtte, blij dat hij dat bedoelde. ‘Ik weet nog hoe jullie mij de rest van de week bedolven onder lieve dingen. Hoe Anna me heel voorzichtig, om mijn arm niet te stoten, knuffelde. En jij ook natuurlijk,’ haastte ze erachteraan. Het armoedige gevoel van toen kwam weer boven. Dat gips, die pinnen, de stellage, haar pijnlijk hoofd en vooral de totale afhankelijkheid waardoor ze alles moest vragen. Annaatje bracht haar zelfs paracetamol terwijl de limonade over het glas klotste.

Ach Anna. Niet aan denken, niet in blijven hangen nu. Alsof hij haar gedachten kon lezen, zei Frits: ‘Gelukkig genas het allemaal snel. Niets meer aan doen, zei die zogenaamd jolige chirurg toch. Alleen dat je naar de fysio moest, weet je nog?’