Klara’s moeder schetst een intiem portret van een oude vrouw in de laatste dagen van haar leven, van de zure moeder die ze is geweest; een vrouw gedoemd om met de impact van haar keuzes te moeten leven. Een fascinerende blik op het dorpse leven aan het begin van de vorige eeuw met de daarbij behorende normen en waarden, angsten en vreugden. De roman is bij uitstek geschikt voor lezers die geïnteresseerd zijn in op het echte leven gebaseerde romans met een sterke focus op emotie, familiegeschiedenis en sociale context. Klara’s Moeder kan zowel als zelfstandige novelle worden gelezen of als een pakkend vervolg op de roman Rollemanschiksie. Vier generaties van huis. Zie ook voorpagina
Auteur: Marianne Schenderling
Malik, zoon van niemand
In het hart van Zuid-Oost Anatolië herinneren de bergen zich wat mensen vergeten. Door de dalen klinken hun verstomde stemmen. In dit oude land kusten Hittieten de hemel, baden Assyriërs tot hun God, schudden Arameeërs het woestijnzand van zich af voor ze op hun knieën vielen, trokken Arabieren hun kromzwaarden om Allah te beschermen en filosofeerden de Grieken over hun bestaan.
In de nieuwere tijd, zongen Koerden en Armeniërs hier hun liederen van verzet en vierden uiteindelijk de Osmanen en hun nazaten de overwinning.
In deze bergen, tussen de kieren van de bebloede stenen van de stad Mardin, wortelt Malik wiens naam koning betekent. Zijn handen beven van het verleden. Hij hoort stemmen die er niet zijn, droomt in talen die hij nooit heeft geleerd. Zijn ziel is een mozaïek, gebarsten door haat die ouder is dan hijzelf. Dit is zijn verhaal. Een verhaal over verzwegen herinneringen. Over waanzin en overleven. Een verhaal waarin het verleden niet zwijgt. Malik, is de optelsom van het verleden, van verloren generaties. Hij is de man die alle namen draagt en geen. Hij is de Zoon van Niemand.
Klara’s moeder, het begin

Januari 2001. Daar lig ik dan. Het lijkt alsof ik naar een stomme film kijk die nog net niet van de spoel afloopt. Mijn trager verlopend leven kabbelt, hortend en stotend. Ik denk er vaak over na sinds mijn dood dichterbij
sluipt.
Ik heb overal pijn. Soms heb ik het gevoel dat mijn darmen zich om hun eigen as slingeren en een onzichtbare hand gloeiend vel van mijn buikwand slijpt. Op die momenten stroomt alles wat ik binnen krijg als dunne poep weer uit mij. Ik stink, ik ruik het. Eindeloze dreksloten kolken op het matras en besmeuren mijn nachthemd.
Stiekem pulk ik de korsten aangekoekt poep van mijn benen en veeg ze aan de zijkant van het matras. Mijn vuiligheid houdt Rosa, een jong meisje van net in de twintig met blond haar en blozend gezicht, continu aan het werk. Ze draagt haar blauwe latexjes strak als een tweede huid om haar ranke handen