Motto

Voor het motto van Rafels, de roman, twijfelde ik tussen deze twee uitspraken van Gabriel Garcia Marquez.

    Wat ertoe doet in het leven is niet wat er je overkomt, maar wat je je herinnert en hoe je het herinnert.
En:

   Het geheugen van het hart zeeft slechte herinneringen weg en maakt de goede mooier. Dat stelt ons in staat om met het verleden te leven.

Uiteindelijk heb ik voor het laatste citaat (uit: Liefde in Tijden van Cholera ) gekozen omdat die het best de lading dekt. Rafels gaat immers over twee mensen die ‘vergeten zijn’ hun herinneringen en de  bijbehorende emoties met elkaar te delen. Gaandeweg komen ze erachter dat het samen delen juist loutert. Het kortwiekt de zielkapotstekende pieken van hun verdriet en schuurt de scherpe randjes van hun  eenzaamheid af. Zo ontstaat langzamerhand weer ruimte voor goeie herinneringen waardoor ze beter in staat zijn om

met hun verleden te leven.

 

Zoenen

Vroeger zoenden mensen drie keer. Als klein kind leerde je dat tijdens verjaardags-feestjes. Je moest het gewoon ondergaan: oudtantes en oude tantes die je aan hun borsten drukten en natte klapzoenen op je wangen drukten. Vooral tante E was heel goed in dikke smakkerds. Je kreeg er steevast één op je wang, één aan de andere kant vlak naast je mond en één ergens in je hals. Soms draaide je net op tijd je gezicht weg en bleef het bij een luchtkus.

Ondanks dat ik er vies van was, deed ik later toch mee aan het ‘Hollandse kussen’: altijd drie zoenen. Eén op de rechter, één op de linkerwang en als je niet uitkeek ook nog één vol op de bek. En dat deed je met zowat iedereen.
Nieuwe collega? Zoenen na de eerste kerstborrel. Buren verhuizen? Afscheidszoenen. Nieuwe buren? Zoenen na de kennismakingsdrankjes. Op verjaardagsvisite? Eén grote zoenende meute.

Je kunt ze gewoon niet ontlopen die mensen met getuite lippen maar toch wrong ik me vaak in allerlei bochten om ze met slimme technieken te ontmoedigen. Een plots opkomende hoestbui die me dwong me om te draaien. Snel ‘per ongeluk’ de andere kant opkijken zodat de kus in het luchtledige terecht kwam. Bij binnenkomst net doen alsof ik over de drempel struikelde of, en dat werkte ook best goed, breed glimlachen en mijn arm zo ver mogelijk uitstrekken. Afstand!

En toen stak het Corona-Covid19virus de kop op. Anderhalve meter bij elkaar vandaan blijven. Mondkapjes op. Zo min mogelijk bezoek en, o heerlijkheid, niet zoenen. Laat staan drie keer. Waarmee ik maar wil zeggen; aan alle nare dingen kleven ook positieve kanten. Dus nooit meer drie keer zoenen. Beloofd?

Kluwen ontwarren

(Uit deel 2, Rafels)

De kluwen ontwarren, had Jeanette gezegd. Hoe? En hoe uit die puinhopen van ons verleden te kruipen? Het opgehoopte verdriet. Ons huwelijk dat in scherven lag, wijzelf ook  aan flarden. Waarom noemde ik hem daarstraks in godsnaam  mijn man? O, die chaos in mijn kop. Blok beton in mijn maag. Hoe moet dat straks. Ineens veranderde het geroezemoes  om me heen in luid geschetter: ouders riepen hun kroost, tienermeiden renden gillend naar elkaar  door het restaurant, puberjongens zaten wijdbeens op hun stoel in hun telefoon te brommen. Een drukte van belang. Het dek stroomde vol. Toch zag ik hem direct. Hij ons ook. Hij zwaaide en liep met grote passen op ons af. Pan door het dolle heen, sprong tegen hem op, huilde als een wolf, likte zijn handen.

Hondenliefde