Cara’s huwelijk

‘We trouwden, Zoni en ik. Wij kregen in die tijd nauwelijks voorlichting. “Kijk maar goed hoe de hengsten de  merries dekken,” zeiden de volwassenen als we vroegen hoe een baby in een moeders buik kwam. Van paarden wisten we alles. Logisch, we konden niet zonder ze. Zij trokken ons voort.

Hengstige merries droegen hun staart omhoog, plasten om de haverklap en waren niet vooruit te branden, maar met een hengst in de buurt hinnikten en blitzten ze zodat hun hele zaakje heen en weer bewoog. ‘Het dekken zelf,’ ze zweeg, trok haar mondhoeken naar beneden en schudde haar hoofd. ‘Zo wist ik hoe de vork in zijn steel stak.’

Ze lachte om haar eigen woordspeling. Het gelach eindigde in een raspende hoest. Ze sloeg een hand voor haar mond, viste met haar andere een wit kanten zakdoekje uit haar boezem en veegde haar lippen droog. Roze schuimspetters op het wit.

Ik schrok.  ‘Omi, u bloedt! U moet nu echt even rusten.’

Met haar bruine, bevlekte hand pakte zij mij bij mijn pols.

‘Ik weet het lieverd, dat hoort bij mijn ziekte. Het maakt niet uit. Ik wil je zo graag over mijn leven vertellen.’

Scharensliep

Jopie was rollemanschiksie. Haar familie trok met de kermis het land door. Ze waren leeuwentemmer, boeienkoning of waarzegger.
Op haar eerste schooldag vertelden alle kinderen wat hun vaders deden.
Jopie zei trots: ‘Mijn vader is scharensliep geweest. Nu draait hij sjekkies met één hand.’
Alle kinderen lachten. De meester trok zijn wenkbrauwen op.
De vader van het jongetje naast haar bleek kruidenier.
‘Het hele dorp koopt bij ons,’ schepte hij op.
‘Goed zo,’ zei de meester vriendelijk.
Zij stak haar vinger op.  ‘Ik heb ook twee neven in de autobranche.’
‘Dat klinkt duur,’ lachte de meester, ‘zijn ze automonteur of autodief?’

Een droge witte

Ik was een jaar of veertien en voelde me al een heel grote meid toen in de grote stad, waar ik regelmatig bij mijn oma op bezoek ging, her en der terrassen oppiepten.  Aanvankelijk mondjesmaat maar al snel ontstond een lucratieve handel in terrasvergunningen. Het idee dat op straat drinken alleen iets voor zwervers was, werd losgelaten. Verloederde achterafstraatjes werden hip, en al gauw zaten overal aan hun glas nippende, genietende mensen op straat. Hoe verlangde ik er naar om aan zo’n tafeltje te gaan zitten en net als de dames om me heen ‘een droge witte, graag’ te bestellen.

Inmiddels ben ik zo’n mevrouw die, meestal samen met een vriendin, in het voorjaar op een terrasje zit en een ‘droge witte’ bestelt. Graag. We genieten ons rot, luisteren stiekem mee met het gesprek aan een tafeltje naast ons en nemen er nog een. We hoeven elkaar niet te overtuigen. Een terrasje pikken, hoort er gewoon bij als de zon schijnt. Dus toen de zon begon te schijnen en de temperatuur van onder nul snel opklom tot plus zestien, zeventien en even zelfs achttien, hakte het niet kunnen neerploffen buiten er wel heel erg in.

Ik liep op het plein en fantaseerde dat de hoofdpersoon uit Rollemanschiskie door haar broer aan een (draaiende) molenwiek werd gebonden maar veel verder dan dat kwam ik niet. Ik had wijn nodig om mijn stroperige hersens flexibel te maken zodat alles weer mogelijk wordt. En die wijn wilde ik het liefst op het terras bij mij om de hoek. Maar dat ging natuurlijk niet. De Corona belemmert me niet alleen in mijn bewegingsvrijheid, het droogt ook mijn schrijfader op.

Dat mag natuurlijk niet gebeuren. Omdat ik die mevrouw ben die met mooi weer een droge witte of een droge rosé drink, buiten, zet ik mijn raam open en schenk er mezelf een in. Het werkt direct: ik weet waarom C’s broer haar aan de molenwiek bindt.