Brak

(Uit: Rafels, Deel 2 In Het Eilandhuis)

Alsof ik in een hooikist had geslapen; een kurkdroge mond met gevoelloze tong. Brak. Een  slok water. De hele kamer duizelde om me heen. Gauw weer liggen.
Gesnurk? Ik draaide mijn zware hoofd naar rechts: een grote hondenkop naast me op het kussen. Pan, op zijn rug, vier poten recht naar het plafond. Mijn nieuwe kamergenoot.

Vannacht zeker door de openstaande deur, macht der gewoonte, mijn kamer binnen geglipt en op bed gesprongen.
Niks van gemerkt.
Honden zijn alerter dan mensen, zodra er leven komt in de brouwerij zijn ze klaarwakker.  Ik kroelde hem even in zijn nek en duwde hem snel op de grond. Geen gelebber ’s morgens vroeg.
Beneden rommelde Lina in de keuken.
‘Ga maar naar het vrouwtje Pan, eten.’  En weg was hij, kwispelend de trap af.
Door het raam zag ik zand.  De duinen hadden alle regenplassen van gisteren al weer  opgezogen. Tussen de grijze wolken door probeerde een petieterig zonnetje naarstig omhoog te klimmen. Doe je best bol, dacht ik, doe je best.
‘Ben je wakker,’ riep Lina aangespoord door Pan, ‘wil je koffie?’
‘Ja, ik kom zo, eerst even douchen.’
In de badkamer gooide ik om te beginnen een plens koud water over mijn gezicht. De druipende man in de spiegel zag er beter uit dan dat ik me voelde.

De avond ervoor, Lina was al naar bed, had ik de fles leeggedronken in een poging de tombola in mijn hoofd te stoppen. Lukte niet, steeds opnieuw trok ik de troefkaart: het leeslampje. Waarom had mijn vader het erop aan laten komen? Waarom hield mijn vader vroeger niet, net als de vaders van mijn vriendjes, gewoon van zijn gezin. Van íedereen in zijn gezin. Waarom deed mijn vader geen klusjes in huis en bleef hij niet zaterdagavond gezellig thuis was. Wat was er mis gegaan? Kon ik het hem maar vragen.
Lina vroeg het gisteren niet maar ik had graag met haar over mijn vader gepraat.
Het is dat Pan vannacht zo rond twee uur zijn kop tegen mijn handen duwde, anders had ik daar vast tot vanochtend vroeg gezeten. Niet alleen de brand en mijn vader, ook de onwennigheid om sinds jaren samen op deze plek te zijn, speelde op. Ik trok mijn T-shirt en short uit, draaide de doucheknop open en stapte onder het eerder lauwe dan warme water. Zouden we het kunnen?

Samen praten.

Vrijwillige quarantaine

Soms is een vriend belangrijker dan een familielid, las ik vanmorgen op een nieuwssite. Het ging weer om het pandemie virus en de vraag wie er naar je begrafenis mag komen. Als het aan het overkoepelend kraaienorgaan ligt, gaan we zelfs in de kist nog in quarantaine. Deksel erop, zand erover. Of oven op duizend graden Celsius.

Enkel familieleden in de eerste graad mogen je uitgeleide doen. En als je die niet hebt, ga je maar alleen. Nee wacht, een goede vriend mag ook. Kan natuurlijk net zo goed een kennis, een buurmens of oud-collega zijn die voor goede vriend uitgeeft.
Lucratieve business  vandaag de dag, het uitvaartwezen, of mag ik dat niet zeggen?
Weet ik veel, ik roep ook maar wat.
Vanmorgen bij de apotheek, moest ik vanaf anderhalve meter in een luikje schreeuwen wat ik bliefde.
Een nieuw recept?
Het apothekersmeisje keek me angstig aan. ‘Maakt u maar een foto van het recept en mail dat naar ons en,’ voegde ze er ineens bitchy aan toe , ‘stel dat wij ziek worden, wat moeten de mensen dan.’
Daar zakte mijn broek echt van af. Ziek worden van een papiertje?
Handschoenen aantrekken, zou ik zeggen. Ik slikte het maar in, net als mijn vraag: stel dat mijn huisgenoot nieuwe pijnstillers voorgeschreven heeft gekregen omdat ze vergaat van de pijn. En virus…hamsteren…regerende angst…vluchtelingen…oorlog …hongersnood…kindersterfte…oorlog… onderdrukking…
Okee genoeg, ik hou er over op.
Ik heb natuurlijk makkelijk praten. Ik ben niet bang. Voor de duvel niet en voor corona niet.  Ik heb een conditie als een amateur Elfstedentochtschaatser en ik zie niet op tegen  in quarantaine gaan. Sterker nog,  ik zonder me al dik anderhalf jaar af om aan mijn roman te schrijven en onder te duiken in de wereld van mijn hoofdpersonen. En wat ik dan echt nodig heb, is de eerlijke en oprechte mening van een schrijftafelvriend want soms is een vriend belangrijker dan een familielid. Zeker als het gaat om

goede feedback 

 

Jan’s wereld

Gisteren waren wij van de Schrijftafel, met ander goed gezelschap,in de kantine van de Numansdorpse golfclub.
Kantine is misschien een te oneerbiedig woord voor de ruimte met wijds uitzicht, bar, professioneel restaurant en Zijne Majesteit met echtgenote aan de wand maar hoe noem je zoiets dan wel?
Numansdorp is makkelijker te omschrijven, het doet zijn naam namelijk  eer aan: numand van ons was ooit op deze plek,  midden in de polder net boven Zeeland geweest. Via de havens van Rotterdam leidden kronkelige donkere weggetjes, want zonder verlichting,  ons naar de wereld van Jan Kloos.
Onze schrijfvriend maakte zijn belofte van ruim een jaar geleden waar! Op de valreep, daags voor zijn tachtigste, ligt zijn boek op tafel te pronken.
Vierhonderdvierendertig pagina’s over Jan’s jeugd in Schiedam, zijn kennismaking met zijn vrouw der vrouwen, hun verblijf in Bangladesh (in de zestiger jaren!), zijn carrière in het Rotterdams loodswezen (hoger hoger keer op keer); de reizen naar talloze uithoeken van de wereld,  zijn dochters en nog veel meer in een harde kaft gebonden.

Een hele hoge hoed, neem ik af voor de man Kloos. En voor zijn vrouw die een jaar lang aan de deur van de schrijfkamer moest kloppen om contact met haar echtgenoot te kunnen krijgen.
Kunst doet lijden.
Dat weten onze lijdende wederhelften voor zover we die hebben, ook. Voor hen is het evengoed afzien dat wij, schrijvers, het in ons hoofd gezet hebben een boek te schrijven. Of het nou (auto)biografisch is of geheel uit de duim komt, fictie of niet, thriller of erotisch geromantiseerd, menig omstander is benieuwd of hij of zij er in voorkomt, welke bekentenissen erin staan, hoeveel heimelijke gedachten, verlangens zelf of klinkklare leugens.
Kunst doet, wederom, lijden.
Jan pareerde het gehengel naar waarheid en het weerleggen van gebeurtenissen van zijn familie, vrienden en kennissen met de uitspraak: ‘Het is mijn boek, zo heb ik het ervaren.’

En zo is het maar net.