Herinneringenvangnet

Erwtenland 1

Vanmorgen struikelde ik regelrecht mijn kindertijd binnen.

Mannen in donkerblauwe overalls maaien het te hoge gras. Heen en weer, heen en weer. Ze minimaliseren de akker tot enkele hoopjes droog gras met her en der een verdwaald peultje. Buurtkinderen verzamelen de groene bolletjes op het erwtenland. Dagenlang eten ze thuis gekookte  illegale peulvruchten.

 Pas een regenbui later dringt het door in onze door hooikoorts verstopte neusjes: de geur van opdrogend nat gras. Muffig en toch fris, kruidig en toch waterig.

Parfum voor plattelandskindertjes.

Erwtenland 2 


Wij kinderen kruipen voorzichtig onder het prikkeldraad door. Lichte schokken in onze handen als we het gevaarlijke draad optillen met een rietstengel.

Nooit met blote handen.

Onze meisjesgêne wanneer de jongens met ontblote pikkies op het onder stroomstaanden draad piesen. Ze willen de schok vooral dáár voelen; voorbereiding op later.

Het is niet eerlijk dat alleen jongens spannende dingen mogen. Daarom balanceer ik net als zij over de smalle duiker. Nooit gevallen. Trek ik stiekem de verboden schuif van de duiker; de sloot loopt vol water. Ik ervaar de eigenaardige spanning om al rennend een meterslange polsstok in de sloot te planten. Plons er middenin en hoor mijn moeders overslaande stem: “Kom hier, dit is geen spel voor meisjes.”

Wij waren groen als gras maar snoven onze vrijheid op en probeerden uit hoe ver die reikte

Groen als gras

Die geur van opdrogend nat gras. Muffig en toch fris, kruidig en toch waterig.
Toen ik het vanmorgen weer rook, liep ik regelrecht mijn kindertijd binnen.
Naar het erwtenland achter ons huis waar alle buurtkinderen speelden.
Nadat de erwten geplukt waren en wij de achtergebleven groen bolletjes in een vergiet hadden verzameld – de hele buurt at dagenlang illegale peulvruchten – groeide het gras welig door.

Tot augustus. Dan liepen de mannen in blauwgrijze werkpakken met grote zeisen in hun handen baantjes over het veld, van de sloot voor de school naar het schrikdraad achter de huizen.
Heen en weer, heen en weer tot het hele veld kaal was en er enkel nog hoopjes droog gras lagen. Een regenbuitje later en de geur der geuren drong in onze, nog niet door hooikoorts verstopte neusjes. Die muffige en toch frisse reuk, dat kruidige en toch waterige aroma; polderparfum voor ons plattelandskindertjes.

Ik zag ons kinderen weer voorzichtig onder het schrikdraad doorkruipen om over het veld te kunnen rennen. Weer voelde ik de lichte schokken in mijn handen door het schrikdraad. Nooit met blote handen altijd met een lange spriet gras of riet.
Ook proefde ik weer de gêne om het zien van de blote pikkies van de jongens die met een boog op het schrikdraad piesten om de schok ook daar te voelen. En weer kroop die eigenaardige fijne spanning langs mijn rug omhoog net als toen ik met een lange polsstok over de sloot probeerde te springen.
Plons er midden in.
Of net met mijn hakken over de sloot.
Geen spel voor meisjes, riep mijn moeder met overslaande stem. Lak had ik er aan. Het is toch niet eerlijk dat alleen jongens de leukste dingen mogen doen?
Daarom rende ik, net als de boys, keihard over de smalle duiker, nooit gevallen, en trok ook ik de verboden schuif van de duiker zodat de andere sloot vol water liep.

Wij waren groen als gras maar snoven onze vrijheid op en probeerden uit hoe ver die reikte.