Met de muziek mee (1)

Met de muziek meeNu Rafels, straks in juni 2022 gep[ubliceerd wordt, geef ik met blijdschap  kennis van de conceptie van mijn nieuwe boek met werktitel  “Van Huis_weg.”

Een Rollemanschiskie is een dochter van een rolle(r)man, een man die leeft in een huis op wielen en daarmee stad en land doortrekt. Een reiziger, in  de volksmond ook wel woonwagenbewoner genoemd.

In deze tweede roman worstelt een Reizigersmeisje zich los van haar milieu. Ze ontvlucht de vastliggende rolpatronen, gewoontes en plichten om haar honger naar kennis en de wereld te stillen. De geschiedenis herhaalt zich want haar overgrootmoeder keerde vier generaties daarvoor háár familie en samenleving, de rug toe.

In “Van Huis_weg” probeer ik te achterhalen wat er gebeurt met iemand die zijn afkomst vaarwel zegt. Die dat doet  vanuit de drang te doen wat hij zelf wil, vanuit het verlangen ook om zich elders thuis te kunnen voelen. We worden geconfronteerd met (vooral) cultureel en sociologische bepaalde vooroordelen rond mensen zon der vaste woon- en verblijfplaats en omdat het verhaal vier generaties omvat, bijna een eeuw, zal het ook in het juiste historisch perspectief geplaatst moeten worden. Of al deze uiteenlopende componenten bij elkaar te schrijven zijn tot een meeslepende en  interessante roman, zal de komende tijd leren. Vast en zeker zal ook deze keer menig darling sneuvelen maar dat hoort erbij.

Op volle kracht vooruit.

Naar het eiland

(Uit: Rafels, hoofdstuk 1 deel 2: De eerste avond)

Vlakbij Holwerd gaf de routeplanner het op. Buiten spoelde de regen de letters op de borden zowat weg; ik zag geen hand voor ogen. Ik reed verder op mijn automatische piloot. Eind van deze weg rechtsaf, daarna links. Ik wist het nog. Bij de haveningang scande ik mijn elektronische ticket. Nog een paar meter en ik reed de bootbuik in.

Bootbuik. Met dat verhaal had Frits een keer de huilende Anna getroost die geschrokken was van de donkere zwarte muil die ons dreigde op te slokken. ‘We rijden de bootbuik in, lieverd net als Jonas in de walvis.’ Het muntje viel direct, ze kende het woord uit haar voorleesboekje. ‘Wallevis,’ zei ze en stopte haar vingertje in haar mond. De schrik voorbij.

Een minuut of tien later stapte ik uit mijn krap geparkeerde auto op het achterdek. Flesje water, snoepjes voor Pan, mijn handtas en hup naar boven. Wachten op Frits.
Ik vond een plek aan een halfronde tafel onder een raam, te groot om patrijspoort te heten. Vandaaruit zag je goed hoe de golven elkaar kopje onder duwden.
‘Mevrouw, is deze plek vrij?’ Een slungelige jongen van een jaar of twintig wees naar de plek tegenover me. Hij had zijn arm om een spichtig donker meisje geklemd. Ik knikte. ‘Mijn man komt zo maar ga maar zitten. Plaats genoeg hoor.’
Ze gingen zitten zonder elkaar een moment los te laten. Zoenend.
Pan, nieuwsgierig, besnuffelde hen uitbundig. De jongen duwde hem weg en zoende verder.

Alleen op de wereld 

Naar het museum

(fragment uit rafels, deel 1  hoofdstuk 12. Lina en Trees naar het museum)

Naar het museum, een goede lunch in een fijn restaurant, samen met mijn lieve vriendin; ik was er echt aan toe. Ik reed, Trees keek om zich heen, we kletsten.
Gelukkig was het niet druk; af en toe sjeesde een auto voorbij of wij haalden er een in. Nauwelijks een touringcar of vrachtauto te bekennen.
De zon deed zichtbaar zijn best door de laaghangende wolken te breken. De keren dat het haar lukte, kleurde ze in één keer de toppen van de bomen langs de weg frisgroen als na een eerste voorjaarsbui. Zodra ze weer achter de wolken verdween kropen de bladeren terug naar het fletse groen van overjarige olijfbomen. Voor ons het zwarte asfalt.
‘Wist jij dat Frits weer rookt?’
Ze knikte.
‘Ik begrijp het niet. Twintig jaar niet gerookt…’
Trees keek even snel opzij, knikte: ‘Ja, ik weet nog goed dat jullie stopten. Wij vonden het erg stoer. Bijna iedereen rookte toen. Je hoorde niemand over stoppen.’
‘Nou ja, ik wilde een kind en had het er voor over.  Iedereen, verloskundigen, artsen, verpleegkundigen maar ook de media hielden niet op te benadrukken hoe slecht roken was voor de ongeboren vrucht. Net als alcohol, drugs, stress en, God betere het, de kattenbak verschonen. Ik gaf het roken op, Frits solidair, deed mee. De rest van de dringende adviezen was niet van toepassing maar ik had ze zo opgevolgd zo graag wilde ik dit kind.’
Een kind waarmee ik net zoals mijn moeder door de kamer kon dansen. Met wie ik uit zou gaan, de wereld zou ontdekken en van wie ik ontzettend veel zou houden.
Mijn vriendin hoorde me niet, ging helemaal op in haar lofzang op roken.
‘Iedereen rookte, altijd en overal. Op straat, op het werk, thuis. We rookten in restaurants, in de trein, zelfs in het vliegtuig mocht het, toch?’ Ze keek me vragend aan.
‘Klopt, in de trein ook. Niet meer voor te stellen, toch.’ Lachend somden we alle andere plekken op waar je vroeger mocht roken. Op scholen, in de voetbalkantine, zelfs in het ziekenhuis.
‘Ja, maar we hadden het over Frits, dat hij weer rookt,’ emmerde ik, ‘na twintig jaar terwijl hij het zo moeilijk had met het stoppen. Hij was erger verslaafd dan ik, zei hij, het zat um in zijn genen. Gelul natuurlijk. Hij is weer begonnen door die griet. Bah.’
Geen idee waarom ik over haar begon.
‘Ach, meid,’ zei Trees,

‘wat kan jou het schelen.’