Die laatste dag

Toen ze de gebloemde linnen gordijnen opentrok, wist ze al dat vandaag een bijzondere dag zou worden.

Ze kleedde zich aan en liep naar beneden.  Haar moeder zat in haar eentje aan de ontbijttafel. Dat was vreemd, meestal schoof Claire als laatste aan.

“Waar is Rosa?” vroeg ze.

Haar moeder keek op. Ze zag bleek, trok haar lippen tot een lijn, kneep haar ogen tot spleetjes en antwoordde: “Je zus heeft voor de zelfkant gekozen, ze hoort niet meer bij ons.”

 “Waarom …”

“Stop.” Moeder hief haar hand omhoog en siste: “Later als je groot bent, zal je het begrijpen. Zorg er maar voor dat jij je zus niet achterna gaat.”

Claire begreep het niet. Waarom noemde mama Rosa niet bij naam? Wat was de zelfkant? En waar? Was haar zus daar? Waarom? Hoe lang? Moeder liep naar het dressoir, zwaaide zo driftig met een grote gele stofdoek rond de geplisseerde lampenkap dat hij scheef kwam te hangen. Ze had het niet door.

Claire durfde niks te zeggen. Ze sloop naar het dressoir en trok de kap recht. Dan hoefde haar moeder zich daar in ieder geval niet druk om te maken. De lamp stond er weer bij zoals het hoorde.

Intussen stofte moeder de stoelleuningen af, veegde het onzichtbare fijnkorrelige stof weg en liep naar het lage tafeltje om de fotolijstjes af te nemen. Elke dag stiefelde ze dezelfde route. Herhaalde wat ze gisteren deed en morgen weer zou doen. Haar thuis smetteloos houden zag ze als haar levenstaak. Daar paste geen stof, scheefgetrokken lampen of vuiltjes bij, laat staan een van de kudde weggelopen dochter.

Claire liep de gang in en de trap op naar boven. Stiekem opende ze de deur naar Rosa’s kamer. Doorgaans verboden gebied, maar nu haar zus weg was, kon ze dit verbod net zo goed negeren. De kamer rook naar Rosa. Zoet naar de haarlak waarmee ze haar donkere krullen in toom hield, muf naar de stiekeme sigaretjes die ze staand bij het geopende raam rookte, bloemig naar wasmiddel en kruidig fris naar iets onbestemds. Vrijheid misschien, dacht Claire en keek rond. De kamer lag er rommelig bij. Links en rechts op de grond zwierven kleren. Zwarte kleren. Op het voeteneinde van het bed lag een zwarte netpanty met bloemmotief, aan de bureaustoel hing een zwart ribfluwelen rokje en op het bureautje slingerden een kort zwart truitje met driekwartmouwen, een zwarte doorschijnende blouse met lange mouwen en een zwarte zijden sjaal. Voor het bed op de vloer dwarrelden twee zwarte pumps.

Rosa’s mooiste outfit! Claire zei het hardop. Haar zus droeg dit tenue iedere dag. Ze maakte zich altijd zwaar op, dat hoorde erbij vond ze. Haar met kool omlijnde ogen lieten haar zwart geverfde haar met blauwe lokken en donkere kleding nog beter uitkomen. “Black magic,” zei ze terwijl ze zichzelf goedkeurend in de spiegel bekeek. Die kaatste het beeld uitdagend terug, alsof hij wilde zeggen: het staat je geweldig. Dit alles zeer tegen de zin van moeder. Zij gaf haar oudste de opdracht ordentelijke kleding (zo noemde ze het echt) aan te trekken en haar gezicht schoon te boenen. Ze hield een sponsje op. ‘Desnoods doe ik het.’ Ze duwde Rosa haar slaapkamer in en posteerde zich met haar armen over elkaar gevouwen voor de deur.

Het meisje kwam in haar oude plunje naar buiten, lachte haar moeder uit en liep met opgestoken middenvingers de deur uit. Tot woede van haar moeder, die haar dochter binnensmonds uitschold voor hoerige meid en hardop riep: “Je komt er niet meer in.”

“Fijn, dan ben ik eindelijk vrij!” Rosa’s laatste woorden. Dat was de laatste dag dat Claire haar zus zag. Een bijzondere dag.

’s Avonds stonden er twee agenten voor de deur.

Plaats een reactie