Met de muziek mee (2)

Mensen vragen me waarom ik een boek over vier generaties Roma-vrouwen wil schrijven. Waarom over zigeuners van wie je nauwelijks iets weet. Ja, daar hadden ze een punt. Hadden, want inmiddels struin ik bijna dagelijks het internet af op zoek naar informatie over Roma-mensen. Ik lees getuigenissen, verhalen, overleveringen en interviews. Ik bekijk video’s en documentaires en beluister de prachtigste droevige maar evengoed opzwepende muziek.

Ik leer veel en dat moet ook wel want als ik wil schrijven over vier generaties zigeunervrouwen moet ik weten hoe ze leefden (en leven). Welke gewoontes en gedragingen ze waardeerden of juist niet. Waarom ze hun woonwagens verruilden voor een wagen op een kamp en later voor een stenen huis. Wat een kopersmid, blikslager of scharensliep nu eigenlijk maakte of repareerde en wat de anderen voor de kost deden. Welke gerechten ze aten en eten bij speciale gebeurtenissen. Ik maak een paar van die recepten, proef ze en stel me voor dat ik zo’n maal buiten voor mijn wagen eet. Samen met de anderen, want reizigers, zoals de Roma ook wel genoemd werden, hebben hechte familieverbanden.

Een geweldig interessante tijdsinvulling dus. Maar er is meer. Ik wil dit boek schrijven voor een oude vrouw die ik jaren geleden heb ontmoet. Ik vroeg haar hoe ze haar leven tot dan toe had gevonden. ‘Wel aardig,’ zei ze maar het speet haar dat ze vroeger niet haar hart had gevolgd. Ze had als molenaarsdochter in het oosten van het land een nogal saaie jeugd gehad. ‘Eerlijk gezegd, was er niks aan; ik moest zodra ik kon lopen meewerken in huis en op het land.’

Slechts één keer per jaar gebeurde er iets spannends en leuks in haar leven. De zigeuners trokken vanuit Duitsland de grens over. Ze reden met hun wagens het dorp door en bivakkeerden een paar dagen op een stuk land bij de molen. Het meisje was helemaal weg van de vrolijke groep mensen in hun fleurige kleren en de kin deren met hun ongekamde haren en smoezelige gezichten. Die vrijheid, om jaloers op te worden. Het water liep haar uit de mond bij de geur van het vlees op de roosters boven een vuur. Ze wilde net als deze mensen zingen en met haar rokken zwaaien op de muziek die ze maakten. Ze vond het vreselijk als de groep verder reisde. ‘Ik had zo graag met de muziek mee gereisd.’

In mijn roman mag ze een nieuw leven leiden en mee met de

muziek

Cara’s huwelijk

‘We trouwden, Zoni en ik. Wij kregen in die tijd nauwelijks voorlichting. “Kijk maar goed hoe de hengsten de  merries dekken,” zeiden de volwassenen als we vroegen hoe een baby in een moeders buik kwam. Van paarden wisten we alles. Logisch, we konden niet zonder ze. Zij trokken ons voort.

Hengstige merries droegen hun staart omhoog, plasten om de haverklap en waren niet vooruit te branden, maar met een hengst in de buurt hinnikten en blitzten ze zodat hun hele zaakje heen en weer bewoog. ‘Het dekken zelf,’ ze zweeg, trok haar mondhoeken naar beneden en schudde haar hoofd. ‘Zo wist ik hoe de vork in zijn steel stak.’

Ze lachte om haar eigen woordspeling. Het gelach eindigde in een raspende hoest. Ze sloeg een hand voor haar mond, viste met haar andere een wit kanten zakdoekje uit haar boezem en veegde haar lippen droog. Roze schuimspetters op het wit.

Ik schrok.  ‘Omi, u bloedt! U moet nu echt even rusten.’

Met haar bruine, bevlekte hand pakte zij mij bij mijn pols.

‘Ik weet het lieverd, dat hoort bij mijn ziekte. Het maakt niet uit. Ik wil je zo graag over mijn leven vertellen.’

Structuur

De structuur van mijn tweede roman rollemanschiksie (werktitel) is nogal een uitzoekerij. Wekenlang zag het eruit als een rafelige warboel met veel losse einden. Wat wil je ook met een vertelling over vier generaties zigeunervrouwen, bijna honderd jaar zogezegd. Een eeuw met talloze heftige gebeurtenissen: de grote crisis, een wereldoorlog waarin (ook) zigeuners vervolgd en vermoord werden, de wederopbouw, een flowerpowertijd veroorzaakt door een heuse jongerenrevolutie, het ik-tijdperk en de technologische vooruitgang tot in het heden. Amen. En nee, Corona doet niet mee, gelukkig. De verteller vertelt het verhaal begin 2020. In ieder geval veel uit te zoeken over die periodes, het woonwagenleven, de zigeunercultuur, hun taal, wat ze eten en drinken, geloofden of niet en al het andere. Een interessante en vooral ook plezierige zoektocht Maar goed, de structuur dus: vormen de tijdperken de haakjes of zijn het de vier vrouwen? Wat zou het beste werken? En wie zou de verteller dan zijn? Rode wangen van plezier en vingers die jeuken om het op te schrijven.