Naar het eiland

(Uit: Rafels, hoofdstuk 1 deel 2: De eerste avond)

Vlakbij Holwerd gaf de routeplanner het op. Buiten spoelde de regen de letters op de borden zowat weg; ik zag geen hand voor ogen. Ik reed verder op mijn automatische piloot. Eind van deze weg rechtsaf, daarna links. Ik wist het nog. Bij de haveningang scande ik mijn elektronische ticket. Nog een paar meter en ik reed de bootbuik in.

Bootbuik. Met dat verhaal had Frits een keer de huilende Anna getroost die geschrokken was van de donkere zwarte muil die ons dreigde op te slokken. ‘We rijden de bootbuik in, lieverd net als Jonas in de walvis.’ Het muntje viel direct, ze kende het woord uit haar voorleesboekje. ‘Wallevis,’ zei ze en stopte haar vingertje in haar mond. De schrik voorbij.

Een minuut of tien later stapte ik uit mijn krap geparkeerde auto op het achterdek. Flesje water, snoepjes voor Pan, mijn handtas en hup naar boven. Wachten op Frits.
Ik vond een plek aan een halfronde tafel onder een raam, te groot om patrijspoort te heten. Vandaaruit zag je goed hoe de golven elkaar kopje onder duwden.
‘Mevrouw, is deze plek vrij?’ Een slungelige jongen van een jaar of twintig wees naar de plek tegenover me. Hij had zijn arm om een spichtig donker meisje geklemd. Ik knikte. ‘Mijn man komt zo maar ga maar zitten. Plaats genoeg hoor.’
Ze gingen zitten zonder elkaar een moment los te laten. Zoenend.
Pan, nieuwsgierig, besnuffelde hen uitbundig. De jongen duwde hem weg en zoende verder. Alleen op de wereld
De kluwen ontwarren, had Jeanette gezegd. Hoe uit die puinhopen van ons verleden te kruipen? Het opgehoopte verdriet om Anna. Ons huwelijk in scherven. Wijzelf aan flarden. Waarom noemde ik hem in godsnaam daarstraks mijn man? Oh, die chaos in mijn kop. Blok beton in mijn maag. Hoe moet dat gaan daar in het Eilandhuis.
Het dek stroomde vol. Ineens was het een drukte van belang. Toch zag ik hem direct. Hij ons ook. Hij zwaaide en  liep met grote passen op ons af. Pan door het dolle heen, sprong tegen hem op, huilde als een wolf, likte zijn handen. Hondenliefde. Zou hij zich onze vroegere bootreizen herinneren? Haar? Toch eens googelen:

hondengeheugen.

Naar het museum

(fragment uit rafels, deel 1  hoofdstuk 12. Lina en Trees naar het museum)

Naar het museum, een goede lunch in een fijn restaurant, samen met mijn lieve vriendin; ik was er echt aan toe. Ik reed, Trees keek om zich heen, we kletsten.
Gelukkig was het niet druk; af en toe sjeesde een auto voorbij of wij haalden er een in. Nauwelijks een touringcar of vrachtauto te bekennen.
De zon deed zichtbaar zijn best door de laaghangende wolken te breken. De keren dat het haar lukte, kleurde ze in één keer de toppen van de bomen langs de weg frisgroen als na een eerste voorjaarsbui. Zodra ze weer achter de wolken verdween kropen de bladeren terug naar het fletse groen van overjarige olijfbomen. Voor ons het zwarte asfalt.
‘Wist jij dat Frits weer rookt?’
Ze knikte.
‘Ik begrijp het niet. Twintig jaar niet gerookt…’
Trees keek even snel opzij, knikte: ‘Ja, ik weet nog goed dat jullie stopten. Wij vonden het erg stoer. Bijna iedereen rookte toen. Je hoorde niemand over stoppen.’
‘Nou ja, ik wilde een kind en had het er voor over.  Iedereen, verloskundigen, artsen, verpleegkundigen maar ook de media hielden niet op te benadrukken hoe slecht roken was voor de ongeboren vrucht. Net als alcohol, drugs, stress en, God betere het, de kattenbak verschonen. Ik gaf het roken op, Frits solidair, deed mee. De rest van de dringende adviezen was niet van toepassing maar ik had ze zo opgevolgd zo graag wilde ik dit kind.’
Een kind waarmee ik net zoals mijn moeder door de kamer kon dansen. Met wie ik uit zou gaan, de wereld zou ontdekken en van wie ik ontzettend veel zou houden.
Mijn vriendin hoorde me niet, ging helemaal op in haar lofzang op roken.
‘Iedereen rookte, altijd en overal. Op straat, op het werk, thuis. We rookten in restaurants, in de trein, zelfs in het vliegtuig mocht het, toch?’ Ze keek me vragend aan.
‘Klopt, in de trein ook. Niet meer voor te stellen, toch.’ Lachend somden we alle andere plekken op waar je vroeger mocht roken. Op scholen, in de voetbalkantine, zelfs in het ziekenhuis.
‘Ja, maar we hadden het over Frits, dat hij weer rookt,’ emmerde ik, ‘na twintig jaar terwijl hij het zo moeilijk had met het stoppen. Hij was erger verslaafd dan ik, zei hij, het zat um in zijn genen. Gelul natuurlijk. Hij is weer begonnen door die griet. Bah.’
Geen idee waarom ik over haar begon.
‘Ach, meid,’ zei Trees,

‘wat kan jou het schelen.’

 

Brak

(Uit: Rafels, Deel 2 In Het Eilandhuis)

Alsof ik in een hooikist had geslapen; een kurkdroge mond met gevoelloze tong. Brak. Een  slok water. De hele kamer duizelde om me heen. Gauw weer liggen.
Gesnurk? Ik draaide mijn zware hoofd naar rechts: een grote hondenkop naast me op het kussen. Pan, op zijn rug, vier poten recht naar het plafond. Mijn nieuwe kamergenoot.

Vannacht zeker door de openstaande deur, macht der gewoonte, mijn kamer binnen geglipt en op bed gesprongen.
Niks van gemerkt.
Honden zijn alerter dan mensen, zodra er leven komt in de brouwerij zijn ze klaarwakker.  Ik kroelde hem even in zijn nek en duwde hem snel op de grond. Geen gelebber ’s morgens vroeg.
Beneden rommelde Lina in de keuken.
‘Ga maar naar het vrouwtje Pan, eten.’  En weg was hij, kwispelend de trap af.
Door het raam zag ik zand.  De duinen hadden alle regenplassen van gisteren al weer  opgezogen. Tussen de grijze wolken door probeerde een petieterig zonnetje naarstig omhoog te klimmen. Doe je best bol, dacht ik, doe je best.
‘Ben je wakker,’ riep Lina aangespoord door Pan, ‘wil je koffie?’
‘Ja, ik kom zo, eerst even douchen.’
In de badkamer gooide ik om te beginnen een plens koud water over mijn gezicht. De druipende man in de spiegel zag er beter uit dan dat ik me voelde.

De avond ervoor, Lina was al naar bed, had ik de fles leeggedronken in een poging de tombola in mijn hoofd te stoppen. Lukte niet, steeds opnieuw trok ik de troefkaart: het leeslampje. Waarom had mijn vader het erop aan laten komen? Waarom hield mijn vader vroeger niet, net als de vaders van mijn vriendjes, gewoon van zijn gezin. Van íedereen in zijn gezin. Waarom deed mijn vader geen klusjes in huis en bleef hij niet zaterdagavond gezellig thuis was. Wat was er mis gegaan? Kon ik het hem maar vragen.
Lina vroeg het gisteren niet maar ik had graag met haar over mijn vader gepraat.
Het is dat Pan vannacht zo rond twee uur zijn kop tegen mijn handen duwde, anders had ik daar vast tot vanochtend vroeg gezeten. Niet alleen de brand en mijn vader, ook de onwennigheid om sinds jaren samen op deze plek te zijn, speelde op. Ik trok mijn T-shirt en short uit, draaide de doucheknop open en stapte onder het eerder lauwe dan warme water. Zouden we het kunnen?

Samen praten.