Verloren

F5FD12D0-1A38-4FAC-ACB7-B05B5C64C0C5Voor mij liep een broodmagere, oude vrouw. Ze tuurde ingespannen naar de straatstenen onder haar voeten. Zocht ze iets? Een gouden oorbel of armband misschien, of een andere waardevolle herinnering, oude mensen hechten vaak aan souvenirs van het leven. Mijn moeder koesterde ook haar kast vol ooit gekregen cadeaus. Ze noemde het: mijn aandenkenhoek en wanneer ze er één kwijt raakte, ging ze driftig op zoek. Alles haalde ze uit de kast. Iedere deksel moest van een doos, elk zakje ging door haar vingers. Meestal vond ze haar schat terug in een la waarin ze hem zelf had opgeborgen om hem vervolgens te vergeten. Het overkwam haar steeds vaker.

De vrouw voor me zocht niets. Toen ik dichterbij kwam, zag ik haar vergroeide rug; haar nek en hoofd stonden, als door weer en wind geknakte rozen, haaks op haar bovenlichaam; ze kon niet anders dan omlaag kijken. Ze moest al in de negentig zijn. Kinderen uit haar jaargang kregen niet dagelijks vitaminen, magnesium en mineralen te slikken. Meisjes deden sowieso bijna niet aan sport, te duur of te weinig damesachtig, ontwikkelden zo een verkeerd aangeleerde houding en botontkalking of, erger nog, een bochel.
Nog twee stappen en ik liep naast haar. Twee heldere bruine ogen tuurden vanonder een grijze lok, schuin naar mij. Ze knikte, ik knikte terug en iets in mij liet me mijn passen inhouden zodat ik naast haar kwam te lopen. Hoewel de zon de straatstenen zowat verschroeide, droeg ze over haar hoog dichtgeknoopte blauwe blouse een donkere sjaal en een grijs, wollen vest. In haar knokige rechterhand, fladderde iets wits: een papieren servet losjes gewikkeld om een bosje slaphangende fresia’s. Zoals een kind in een kinderwagen vol vertrouwen en liefde naar een wildvreemde kan kijken, keek ze naar mij en lachte me toe.  ‘Ik heb bloemen geplukt voor mijn zoon, die ligt daar.’ Met haar linkerhand wees ze beverig naar het kerkhof. ‘Ik ga ieder week naar hem toe. Inmiddels al zesenvijftig jaar. We hebben een eeuwig graf voor hem gekocht.’  In haar ogen glinsterden tranen, ze haalde haar neus op en friemelde met haar linkerhand een geruit zakdoekje uit haar vestzak. 
Ik was verbaasd. Meer dan een halve eeuw liep ze deze route. Met bloemen in haar hand en misschien heeft ze, net als ik voor mijn moeder, weleens een reep chocola op het graf gelegd. 
Mama hield van snoepen. Zelfs toen ze niet meer wist wie ik was, sabbelde ze met een blij gezicht de brokjes op die ik voor afbrak. Een week of twee na haar begrafenis nam ik eens een reep voor haar mee, legde hem op haar steen en fluisterde alsjeblieft mam. De volgende dag lag hij er niet meer. Meegenomen door de eekhoorns natuurlijk of door de konijnen, maar in mijn fantasie had ze hem zelf opgegeten.
‘Al zo lang geleden en nog steeds komt u hier? Wat lief.’ Ik legde mijn hand op haar schouder, ik kon het niet laten. Verrast keek ze me aan.
‘U bent erg aardig.’ Zij pakte mijn hand en streelde hem, een fractie van een seconde, zodat het leek alsof het niet gebeurde. ‘Gaat u ook naar het kerkhof?’ 
‘Ja, ik ga naar mijn moeder. Ze ligt daar twaalf jaar.’  ‘Ach, en was uw moeder ziek?’ 
‘Mijn moeder had alzheimer en kreeg kanker,’ zei ik. ‘Ze werd opgenomen in het ziekenhuis, maar trok in paniek alle infusen uit haar arm en riep om haar moeder. Ik ging iedere dag bij haar op bezoek. De meeste keren herkende ze me niet, ze zag me aan voor een verpleegkundige die haar kwam prikken. Eén keer, vlak voor ze overleed, had ze door wie ik was en noemde me haar engel van God.’ 
Mijn keel voelde ineens krakerig droog terwijl mijn wangen vochtig gloeiden. Nog altijd raakte het me, mijn arme, weerloze moeder in het grote ziekenhuisbed die ineens haar dochter herkende. 
‘U mist haar nog steeds,’ stelde de vrouw vast. Ze nam het bosje fresia’s over in haar linkerhand en pakte mij weer bij mijn hand. ‘Kom, dan lopen we er samen heen en kunt u mijn zoon ontmoeten.’  Ze dribbelde naast me naar de begraafplaats. Bij de ingang nam ze een kunststof, groen grafvaasje van de stapel, vulde het voor de helft met water en schikte er haar bloemen in. 
‘Hier links en dan rechtdoor, onder die hoge kastanjeboom ligt mijn jongen.’ 
We naderden een door paarse rododendrons omgeven grasperkje waarop een langwerpige, halve meter hoge smalle steen stond. Ik las: Rust zacht, lieve jongen en daaronder Jan en twee data. Twaalf jaar was hij pas. Zijn moeder bukte en plantte het vaasje bij de steen. ‘Hier voor jou mijn jongen,’ fluisterde ze en tegen mij: ’Zo kan hij zijn bloemen zien.’
Ik slikte mijn ontroering weg. ‘Hij was nog erg jong.’
Ze keek me aan. ‘Ja, veel te jong. Had ik hem maar weggebracht naar school, dan had ik voor hem kunnen gaan staan om het mes op te gevangen. Ik had al zo lang geleefd, hij begon net.’ Ze beefde en van haar wang biggelde een traan op de aarde. Haar kind, vermoord.
‘Ach, mijn God.’ Meer wist ik niet uit te brengen, welk woorden helen een gebroken moederhart? Waarom Jan werd gedood, wilde ik weten en door wie. ‘Maar als u er niet over wilt praten…,’ schutterde ik.
De vrouw schudde haar hoofd en stelde me gerust. ‘Nee hoor, u mag het best vragen, ik zal het vertellen. Laten we even gaan zitten.’ Ze trok me mee naar een houten tuinbank onder de boom. ‘Mijn jongen is neergestoken door een man die, zo bekende hij later, gewoon zin had om een kind te doden. Jan, zijn prooi, liep op de dijk, die man fietste achter hem aan, haalde hem in op een stil pad onder aan de brug, stapte af en stak hem dood. Eén messteek, recht in zijn hart. Mijn man wilde die vent vermoorden en ging met een pistool naar de rechtbank. Hij werd gesnapt, moest twee jaar de gevangenis in en kwam eruit als een gebroken man. Een half jaar later gooide hij zichzelf voor de trein. De moordenaar kreeg dertig jaar.’ 
Ik was sprakeloos, wat een vreselijk drama. 
‘Ja,’ zei ze alsof ze mijn gedachten kon lezen, ‘Ik heb levenslang, maar gelukkig kan ik hier met hem praten. Ik vertel hem wat ik de afgelopen dagen heb gedaan, wat er in de wereld gebeurt, welk boek ik heb gelezen of welke film ik op televisie heb gezien. Dat troost mij, weet u. Dan voel ik me niet zo alleen.’
‘Jan heeft vast veel van u gehouden. U bent een lieve moeder.’ 
Ze legde haar hand op de mijne. ‘En jij, ik mag toch wel jij zeggen, jij bent een lieve dochter voor jouw lieve moeder. Zullen we naar haar toegaan?’ 
We stonden op, ze stak haar arm door de mijne en we schuifelden van haar zoon naar mijn moeder.

 

Dit verhaal schreef ik voor de Limnisa schrijfwedstrijd rond het thema ‘Een echte moeder.’ Niets gewonnen, maar wel veel schrijfplezier aan beleefd. Sommige lezers vinden het te kabbelend, missen vaart. Ik geloof dat ik begrijp wat ze bedoelen en neem deze feedback mee bij het schrijven van mijn tweede boek: Van Huis 

 

Sterke vrouwen

Vandaag, 8 maart, bejubelen we sterke vrouwen omdat ze op de barricades klommen en voor hun en onze rechten opkwamen.
Dolle Mina’s, sjorden hun lange rokken om hun benen, gooiden hun haren los, ontblootten hun buiken, schreven er baas in eigen buik op en gingen aan de slag voor gelijke rechten.

Jacoba van Beieren, van een heel andere tijd en kaliber, een vrouw die niet boog voor de bestaande man-vrouwverhoudingen maar of zij ook aan andere vrouwen dacht toen ze door strategische huwelijken, diplomatiek gekonkel en veldslagen probeerde haar wettelijke (opvolgings)recht te krijgen, is de vraag.  Florence Nightingale dan. Zij had ook lak aan conventies en stroopte als verpleegkundige avant la lettre haar mouwen op om in ziekenbarakken aan frontlinies het bloed en de tranen van gewonde mannen te stelpen. Haar tijdgenoot, Alette Jacobs, pakte het anders aan. Ze  ging als eerste vrouw naar de universiteit en werkte haar hele leven aan het verbeteren van de positie van de vrouw.

Een ware heldin vind ik ook Rosa Parks, de donkere vrouw die in 1955 in de bus zat en niet wilde opstaan voor een witte man. Met die daad zette ze de afschaffing van de rassenscheiding in werking.  Andere heldinnen zijn als je het mij vraagt, vrouwen in de kunst.  Schilderes en muze Frida Kahlo, beeldhouwster Charlotte van der Gaag (1923-1999) een onderkende Cobra-kunstenares, of Maud Stevens Wagner, de eerste vrouwelijke tattoo artiest en zo kan ik nog wel even doorgaan. Laat ik het wat dichter bij huis houden. Liesbeth de moeder van Lina uit Rafels, reken ik ook tot de sterke vrouwen. Trouwens Lina zelf ook want zeg nou zelf, je bent toch sterk als je je verdriet durft te doorleven, je fouten wilt erkennen en de toekomst nog een kans wil geven?

 

 

Wijnperen

‘Mijn vader zit in de wijnperen,’ zeiden we vroeger als iemand vroeg ‘wat doet je vader?’  Die vraag kwam regelmatig aan de orde op school. Om de twee jaar, als we overgingen naar een nieuwe juf of of meester.  De eerste twee klassen hadden we juffrouw van Dijk. Een aardige, lieve juf die met een duim in haar mond voor de klas zat.

De juf van de derde en vierde was strenger. In onze ogen was ze rijk want ze  woonde, samen met haar moeder, in een chique laan én ze hadden een televisie. Op woensdagmiddag mochten de besten van de klas  – ik was ook zo’n witvoetje – televisie komen kijken.  De juf en haar moeder vroegen een stuiver entree voor hun privé bioscoop maar daar kreeg je ook een glaasje ranja voor. Na vier keer,  eindigden onze televisie-uitjes. Opgewonden door de belevenissen van  Flip de tovenaarsleerling renden we joelend en schreeuwend door het huis, de brede houten trap  op naar boven en gleden over de leuning weer naar beneden. Onze wanhopige juf en haar met een vaatdoekje gewapende moeder werkten ons voor altijd de deur uit.

Een paar weken later kregen we een spreekbeurt. Iedereen moest iets vertellen over het beroep van zijn of haar vader. ‘Mijn vader zit in de wijnperen,’ begon ik en vertelde wat hij me had verteld en ikzelf had verzonnen. ‘Hij maakt zoete wijn van peren, daarvoor bakt hij ze eerst in heel grote ketels. Soms blijf hij met een teveel aan gebakken peren zitten.’

De juf geloofde er helemaal niks van, zei ze.  In Nederland werd geen wijn gemaakt. Laat staan wijn van peren.  ‘Ik wist al wel dat jij een grote mond kon hebben,’ wees ze mij terecht doelend op ons gejoel op haar trap, ‘maar dat je ook nog zo kunt liegen…’ Ze had er geen woorden voor. Ik kreeg een -1 voor mijn spreekbeurt.

Thuis vertelde ik huilend over het debacle, ik had nog nooit zo’n slecht cijfer gehad. Mijn moeder vond het een verschutting, zei ze. Mijn vader lachte de tranen in zijn ogen en zei: ‘Degene die voor schut gaat is die juf niet jij. Fantasie en durf, daar kom je verder mee, vergeet dat niet.’

Ik vergat het niet. Daarom schreef  ik mijn roman Rafels.