Zoenen

Vroeger zoenden mensen drie keer. Als klein kind leerde je dat tijdens verjaardags-feestjes. Je moest het gewoon ondergaan: oudtantes en oude tantes die je aan hun borsten drukten en natte klapzoenen op je wangen drukten. Vooral tante E was heel goed in dikke smakkerds. Je kreeg er steevast één op je wang, één aan de andere kant vlak naast je mond en één ergens in je hals. Soms draaide je net op tijd je gezicht weg en bleef het bij een luchtkus.

Ondanks dat ik er vies van was, deed ik later toch mee aan het ‘Hollandse kussen’: altijd drie zoenen. Eén op de rechter, één op de linkerwang en als je niet uitkeek ook nog één vol op de bek. En dat deed je met zowat iedereen.
Nieuwe collega? Zoenen na de eerste kerstborrel. Buren verhuizen? Afscheidszoenen. Nieuwe buren? Zoenen na de kennismakingsdrankjes. Op verjaardagsvisite? Eén grote zoenende meute.

Je kunt ze gewoon niet ontlopen die mensen met getuite lippen maar toch wrong ik me vaak in allerlei bochten om ze met slimme technieken te ontmoedigen. Een plots opkomende hoestbui die me dwong me om te draaien. Snel ‘per ongeluk’ de andere kant opkijken zodat de kus in het luchtledige terecht kwam. Bij binnenkomst net doen alsof ik over de drempel struikelde of, en dat werkte ook best goed, breed glimlachen en mijn arm zo ver mogelijk uitstrekken. Afstand!

En toen stak het Corona-Covid19virus de kop op. Anderhalve meter bij elkaar vandaan blijven. Mondkapjes op. Zo min mogelijk bezoek en, o heerlijkheid, niet zoenen.  Laat staan drie keer. Waarmee ik maar wil zeggen; aan alle nare dingen kleven ook positieve kanten. Dus nooit meer drie keer zoenen. Beloofd?

Citytrip

Frank en zijn vriendin, Lora, hebben iets te vieren. Ze zijn een jaar met elkaar.
Hij boekt een citytrip, hij wilde altijd al naar Amsterdam
Verliefd als ze is, verheugt Lora zich erg op hun uitstapje. Thuis leest ze alles over de terrasjes, de koffieshops, de typische grachten en het Anne Frankhuis.
Na de landing nemen ze de trein van Schiphol naar de stad. ‘Een taxi is veel te duur,’ zegt hij zuinig. Hun B&B ligt midden in het centrum, vlakbij het Vondelpark waar gratis concerten worden gegeven.

‘Cool! Wat bruist het hier.’

Ze schreeuwt het bijna, zo blij als ze is. Ze huppelt naast hem, aan zijn arm en kijkt haar ogen uit. De Amsterdammers roepen en fluiten haar na, die mooie jonge meid met haar stralende lach en korte rokken.

Frank vindt het maar niets. Zijn spiedende ogen zien overal gevaar: vulgaire bouwvakkers, aanstormende fietsers en bakfietsen vol kinderen, scherp afbuigende auto’s, zwalkende zwervers en uitgekookte junkies. Hij wil zijn vrouw beschermen tegen de bedreigingen van deze stenen woesternij.
‘Waren we maar naar een hotelletje in de bossen gegaan.’
Zij lacht hem uit en noemt hem haar doetje

Tom One

Van Amsterdam tot Utrecht, van Eindhoven tot Arnhem en Maastricht, op alle treinviaducten spoot hij zijn naam en daarachter Nummer One.
Tom, de graffitiman, liep wat af door Nederland. Hij had geen dak boven zijn hoofd, leefde op straat en kreeg wat zakgeld van de jeugdhulpverlening.

Tom was te licht voor Hoenderloo, Borculo of een ander vakinternaat. Te acting out voor thuis, te onrustig voor het ambulante circuit en te oud voor een pleeggezin maar te jong om onder de brug te leven. Daarom moest hij zich iedere maandagochtend om acht uur bij de jeugdhulpverlening melden. Daar schonk de receptioniste schenkt koffie of thee, trakteerde de maatschappelijk werker hem op zijn boterhammen en mocht hij dutten op de wachtkamerbank.
Max, zijn jeugdreclasseringswerker schrok als Tom er maandags niet was. Hij leurde met hem voor een slaapplek, gaf hem uit eigen zak geld voor warm eten. Dat was alles wat hij voor hem kon doen maar hij wilde hem niet opgeven. Uiteindelijk heeft Tom toch onverwachts weer bij zijn vader aangebeld.